Psalmen 60
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “De lelie der wet.” Een punt- en leerdicht van David, toen, na zijn oorlog tegen Aram van Mesopotamië en Aram-Soba, Joab terugkeerde, en in het Zoutdal twaalfduizend Edomieten versloeg. O God, Gij hebt ons verstoten, Onze gelederen verbroken; Gij waart vertoornd, En hebt ons doen vluchten.
1Ho Dio, Vi forlasis nin, Vi disbatis nin; Vi koleris; rekonsolu nin.
2Gij hebt het land laten kraken en scheuren; Het stortte ineen, en ligt nu in puin.
2Vi ekskuis la teron kaj fendis ĝin; Resanigu ĝiajn vundojn, ĉar ĝi ŝanceliĝas.
3Gij hebt uw volk harde dingen doen slikken, En ons een koppige wijn laten drinken!
3Vi sentigis al Via popolo pezan sorton; Vi trinkigis al ni vinon senkonsciigan.
4Maar voor uw vromen hadt Gij een banier opgericht, Om zich daar omheen te verzamelen tegen de boog;
4Sed Vi donis standardon al tiuj, kiuj Vin timas, Por ke ili ĝin levu pro la vero. Sela.
5En om uw geliefden te redden, Strek uw rechterhand uit, en verhoor ons.
5Por ke liberiĝu Viaj amatoj, Helpu per Via dekstra mano, kaj aŭskultu min.
6Bij zijn heiligheid heeft God beloofd: Juichend zal ik Sikem verdelen, En het dal van Soekkot meten;
6Dio diris en Sia sanktejo: Mi triumfos; Mi dividos Ŝeĥemon, kaj la valon Sukot Mi mezuros.
7Mij behoort Gilad, van mij is Manasse. Efraïm is de helm van mijn hoofd, Juda mijn schepter,
7Al Mi apartenas Gilead, al Mi apartenas Manase; Efraim estas la forto de Mia kapo, Jehuda estas Mia sceptro.
8Moab is mijn voetenbekken; Op Edom werp ik mijn schoeisel, Over Filistea hef ik mijn zegekreet aan.
8Moab estas Mia lavopelvo; Sur Edomon Mi ĵetos Mian ŝuon; Super Filiŝtujo Mi triumfe krios.
9Maar wie brengt mij nu binnen de vesting, Wie zal mij naar Edom geleiden:
9Kiu enkondukos min en fortikigitan urbon? Kiu alkondukos min ĝis Edom?
10Moet Gij het niet zijn, die ons hebt verstoten, o God, En niet langer met onze heirscharen optrekt, o God?
10Ĉu ne Vi, ho Dio, forlasis nin? Vi ne eliras, ho Dio, kun niaj militistaroj.
11Ach, help ons dan tegen den vijand, Want hulp van mensen is ijdel;
11Donu al ni helpon kontraŭ la malamiko; Vanta estas helpo de homo.
12Maar met God zijn wij sterk, Hij zal onze verdrukkers vertrappen!
12Kun Dio ni faros heroaĵojn; Kaj Li dispremos niajn malamikojn.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.