Psalmen 132
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Een bedevaartslied. Blijf David gedenken, o Jahweh, En alle moeite, die hij zich troostte,
1SENHOR, lembre-se de Davi e de toda a sua aflição,
2Omdat hij Jahweh had gezworen, Jakobs Sterke had beloofd:
2como ele jurou ao SENHOR, e fez votos ao Poderoso de Jacó:
3Ik zal mijn woontent niet ingaan, Mijn legerstede niet beklimmen,
3“Certamente não entrarei na estrutura de minha casa, nem subirei à minha cama;
4Mijn ogen geen slaap gunnen, Mijn wimpers geen sluimer:
4não darei sono aos meus olhos, nem repouso às minhas pálpebras,
5Voordat ik een plaats heb gevonden voor Jahweh, Voor Jakobs Sterke een woning!
5até que eu encontre um lugar para o SENHOR, uma habitação para o Poderoso de Jacó.”
6Zie, wij hoorden, dat zij in Efráta was, Wij vonden haar weer in de velden van Jáar;
6Eis que ouvimos falar dela em Efrata. Nós a encontramos no campo de Jaar.
7Laat ons naar zijn Woning gaan, En ons voor zijn voetbank werpen!
7“Entraremos em sua habitação. Adoraremos diante do estrado de seus pés.”
8Jahweh, trek op naar uw rustplaats, Gij zelf en de ark uwer glorie!
8Levante-se, SENHOR, para o seu lugar de descanso, o Senhor e a arca da sua força.
9Mogen uw priesters met gerechtigheid worden bekleed, En uw vromen een jubellied zingen!
9Que os seus sacerdotes vistam-se de justiça. Que os seus santos gritem de alegria!
10Om wille van David, uw dienaar, Wijs het gebed van uw gezalfde niet af!
10Por amor ao seu servo Davi, não rejeite o rosto do seu ungido.
11En Jahweh heeft aan David gezworen, Een trouwe Belofte, waarvan Hij niet afwijkt: Van de vrucht van uw schoot Zet Ik er een op uw troon!
11O SENHOR jurou a Davi em verdade. Ele não voltará atrás: “Colocarei o fruto do seu ventre no seu trono.
12En zo uw zonen mijn verbond onderhouden, En de vermaningen, die Ik hun gaf, Dan zullen ook hùn zonen voor eeuwig Op uw troon blijven zitten!
12Se os seus filhos guardarem a minha aliança, e os meus testemunhos que eu lhes ensinarei, os filhos deles também se assentarão no seu trono para todo o sempre.”
13Want Jahweh heeft Sion verkoren, En Zich tot woning begeerd!
13Pois o SENHOR escolheu Sião. Ele a desejou para sua habitação.
14“Hij is mijn rustplaats voor eeuwig; Hier wil Ik wonen, want hèm heb Ik verkoren!
14“Este é o meu lugar de descanso para sempre. Aqui habitarei, pois eu o desejei.
15Zijn mondkost zal Ik ruimschoots zegenen, Zijn armen verzadigen met brood;
15Abençoarei abundantemente a sua provisão. Satisfarei os seus pobres com pão.
16Zijn priesters zal Ik met heil bekleden. Zijn vromen zullen een jubellied zingen!
16Também vestirei os seus sacerdotes de salvação. Os seus santos gritarão de alegria em alta voz.
17Hier zal Ik David een Hoorn doen ontspruiten, Een lamp ontsteken voor mijn Gezalfde;
17Ali farei brotar o poder de Davi. Preparei uma lâmpada para o meu ungido.
18Zijn vijanden zal Ik met schande bedekken, Mijn kroon zal schitteren op zijn hoofd!”
18Vestirei os seus inimigos de vergonha, mas sobre ele, a sua coroa brilhará.”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.