Psalmen 145
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Een loflied van David. Ik wil U verheffen, mijn God en mijn Koning Uw Naam in eeuwigheid loven;
1O DIO mio, Re mio, io ti esalterò; E benedirò il tuo Nome in sempiterno.
2Ik wil U zegenen iedere dag, Uw Naam verheerlijken voor altijd en eeuwig.
2Io ti benedirò tuttodì; E loderò il tuo Nome in sempiterno.
3Groot is Jahweh, en hooggeprezen, Zijn majesteit is niet te doorgronden!
3Il Signore è grande, e degno di somma lode; E la sua grandezza non può essere investigata.
4Van geslacht tot geslacht zal men uw werken verheffen, En uw machtige daden vermelden;
4Un'età dopo l'altra predicherà le lodi delle tue opere; E gli uomini racconteranno le tue prodezze.
5Van de heerlijke luister van uw Majesteit spreken, En uw wonderen bezingen;
5Io ragionerò della magnificenza della gloria della tua maestà, E delle tue maraviglie.
6Van de macht uwer ontzaglijke daden gewagen, En uw grootheid verkonden!
6E gli uomini diranno la potenza delle tue opere tremende; Ed io narrerò la tua grandezza.
7Men zal de roem van uw onmetelijke goedheid verbreiden, En over uw goedertierenheid jubelen:
7Essi sgorgheranno la ricordanza della tua gran bontà, E canteranno con giubilo la tua giustizia.
8“Genadig en barmhartig is Jahweh, Lankmoedig, vol goedheid;
8Il Signore è grazioso, e pietoso; Lento all'ira, e di gran benignità.
9Goedertieren is Jahweh voor allen, Zijn barmhartigheid strekt zich over al zijn schepselen uit!”
9Il Signore è buono inverso tutti; E le sue compassioni son sopra tutte le sue opere.
10Al uw werken zullen U loven, o Jahweh, En uw vromen zullen U prijzen;
10O Signore, tutte le tue opere ti celebreranno; E i tuoi santi ti benediranno:
11Ze zullen de glorie van uw Koningschap roemen, En uw almacht verkonden:
11Diranno la gloria del tuo regno; E narreranno la tua forza;
12Om de kinderen der mensen uw kracht te doen kennen, En de heerlijke glans van uw Rijk.
12Per far note le tue prodezze, E la magnificenza della gloria del tuo regno a' figliuoli degli uomini.
13Uw Koningschap is een koningschap voor alle eeuwen, Uw heerschappij blijft van geslacht tot geslacht! Trouw is Jahweh in al zijn beloften, En in al zijn werken vol goedheid.
13Il tuo regno è un regno di tutti i secoli, E la tua signoria è per ogni età.
14Jahweh stut die dreigen te vallen, En die gebukt gaan, richt Hij weer op.
14Il Signore sostiene tutti quelli che cadono, E rileva tutti quelli che dichinano.
15Aller ogen zien naar U uit, Gij geeft voedsel aan allen, elk op zijn tijd;
15Gli occhi di tutti sperano in te; E tu dài loro il lor cibo al suo tempo.
16Gij opent uw handen, En verzadigt naar hartelust al wat leeft!
16Tu apri la tua mano, E sazii di benevolenza ogni vivente
17Goedertieren is Jahweh in al zijn wegen, En in al zijn werken vol liefde.
17Il Signore è giusto in tutte le sue vie, E benigno in tutte le sue opere.
18Jahweh is allen, die Hem roepen, nabij: Allen, die oprecht tot Hem bidden.
18Il Signore è presso di tutti quelli che l'invocano, Di tutti quelli che l'invocano in verità.
19Hij vervult de wensen van hen, die Hem vrezen; Hij hoort hun smeken, en komt ze te hulp.
19Egli adempie il desiderio di quelli che lo temono, E ode il lor grido, e li salva.
20Jahweh behoedt wie Hem liefheeft, Maar vernielt alle bozen!
20Il Signore guarda tutti quelli che l'amano; E distruggerà tutti gli empi.
21Mijn mond zal de lof van Jahweh verkonden; Alle vlees zijn heilige Naam zegenen voor eeuwig!
21La mia bocca narrerà la lode del Signore; E ogni carne benedirà il Nome della sua santità In sempiterno.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.