Psalmen 33
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Gij rechtvaardigen, heft Jahweh een jubelzang aan; De psalm is een lust voor de vromen!
1VOI giusti, giubilate nel Signore; La lode è decevole agli uomini diritti.
2Looft Jahweh met citers, Bespeelt voor Hem de tiensnarige harp;
2Celebrate il Signore colla cetera; Salmeggiategli col saltero e col decacordo.
3Stemt een nieuw lied voor Hem aan, Tokkelt de lieren, lustig en luid!
3Cantategli un nuovo cantico, Sonate maestrevolmente con giubilo.
4Want Jahweh’s woord is waarachtig, Onveranderlijk al zijn daden.
4Perciocchè la parola del Signore è diritta; E tutte le sue opere son fatte con verità.
5Gerechtigheid en recht heeft Hij lief; Van Jahweh’s goedheid is de aarde vol.
5Egli ama la giustizia e la dirittura; La terra è piena della benignità del Signore.
6Door het woord van Jahweh zijn de hemelen gemaakt, Door de adem van zijn mond heel hun heir;
6I cieli sono stati fatti per la parola del Signore, E tutto il loro esercito per lo soffio della sua bocca.
7Hij verzamelde het water der zee in een zak, Legde de oceanen in schuren op.
7Egli ha adunate le acque del mare come in un mucchio; Egli ha riposti gli abissi come in tesori.
8Heel de aarde moet Jahweh vrezen, Al de bewoners der wereld Hem duchten.
8Tutta la terra tema del Signore; Abbianne spavento tutti gli abitanti del mondo.
9Want Hij sprak: en het was; Hij gebood: en het stond.
9Perciocchè egli disse la parola , e la cosa fu; Egli comandò, e la cosa surse.
10De raadslagen der volken gooit Jahweh omver, Hij verijdelt de plannen der naties;
10Il Signore dissipa il consiglio delle genti, Ed annulla i pensieri de' popoli.
11Maar Jahweh’s raadsbesluit staat in eeuwigheid vast: Wat zijn hart heeft bedacht, van geslacht tot geslacht.
11Il consiglio del Signore dimora in eterno; I pensieri del suo cuore dimorano per ogni età.
12Gelukkig de natie, die Jahweh tot God heeft, Het volk, dat Hij Zich tot erfdeel verkoos!
12Beata la gente di cui il Signore è l'Iddio; Beato il popolo, il quale egli ha eletto per sua eredità.
13Jahweh ziet neer uit de hemel, Richt zijn blik op alle kinderen der mensen.
13Il Signore riguarda dal cielo, Egli vede tutti i figliuoli degli uomini.
14Hij let van de plaats, waar Hij troont, Op alle bewoners der aarde:
14Egli mira, dalla stanza del suo seggio, Tutti gli abitanti della terra.
15Hij, die aller hart heeft geschapen, En al hun daden doorgrondt.
15Egli è quel che ha formato il cuor di essi tutti, Che considera tutte le loro opere.
16Geen koning overwint door de macht van zijn heir, Geen held wordt gered door geweldige kracht;
16Il re non è salvato per grandezza di esercito; L' uomo prode non iscampa per grandezza di forza.
17Ook het ros kan de zege niet schenken, Door zijn grote snelheid niet redden.
17Il cavallo è cosa fallace per salvare, E non può liberare colla grandezza della sua possa.
18Maar het oog van Jahweh rust op hen, die Hem vrezen, En die op zijn goedheid vertrouwen:
18Ecco, l'occhio del Signore è inverso quelli che lo temono; Inverso quelli che sperano nella sua benignità;
19Om ze te redden van de dood, Ze in het leven te houden bij hongersnood.
19Per riscuoter l'anima loro dalla morte, E per conservarli in vita in tempo di fame.
20Onze ziel blijft opzien tot Jahweh: Hij is onze hulp en ons schild;
20L'anima nostra attende il Signore; Egli è il nostro aiuto, e il nostro scudo.
21In Hem verheugt zich ons hart, Wij vertrouwen op zijn heilige Naam.
21Certo, il nostro cuore si rallegrerà in lui; Perciocchè noi ci siam confidati nel Nome della sua santità.
22Uw genade, o Jahweh, dale over ons neer, Naarmate wij op U blijven hopen!
22La tua benignità, o Signore, sia sopra noi, Siccome noi abbiamo sperato in te.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.