Psalmen
Chapter 139
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Jahweh, Gij doorschouwt mij volmaakt, Gij zijt het, die mij doorgrondt;
1SIGNORE, tu mi hai investigato, e tu mi conosci.
2Gij kent mijn zitten en staan, En verstaat mijn gedachten van verre.
2Tu vedi quando mi seggo, e quando mi alzo; Tu intendi da lungi il mio pensiero.
3Gij meet mijn lopen en liggen, Zijt met al mijn wegen vertrouwd;
3Tu aggiri i miei sentieri e il mio ricetto; E sei usato a tutte le mie vie.
4Ja, er komt geen woord op mijn tong, Of Gij kent het nauwkeurig, o Jahweh!
4Perciocchè non essendo ancora la parola sopra la mia lingua, Ecco, Signore, tu sai già il tutto.
5Gij omsluit mij van achter en voren, En houdt mij geheel in uw hand.
5Tu mi strigni dietro e davanti; E mi metti la mano addosso.
6Te wonderlijk is mij uw weten, Te hoog: ik kan het niet vatten.
6La tua conoscenza è tanto maravigliosa che io non posso sottrarmene; E tanto eccelsa, che appo lei non posso nulla.
7Waar zou ik ooit uw geest ontlopen, Uw aanschijn kunnen ontvluchten?
7Dove me ne andrò d'innanzi al tuo Spirito? E dove me ne fuggirò dal tuo cospetto?
8Stijg ik ten hemel: Gij zijt er; Daal ik in het dodenrijk af: Gij zijt er!
8Se io salgo in cielo, tu vi sei ; E se mi metto a giacere ne' luoghi bassi sotterra, eccoviti.
9Sla ik de wieken als het morgenrood uit, En laat ik mij neer aan de grenzen der zee:
9Se prendo le ale dell'alba, E vo a dimorar nell'estremità del mare;
10Ook daar nog leidt mij uw hand, En houdt uw rechter mij vast.
10Anche quivi mi condurrà la tua mano, E la tua destra mi prenderà.
11Al zeg ik: Ha, de duisternis zal mij bedekken, De nacht mij verschuilen:
11E se dico: Certo, le tenebre mi appiatteranno, La notte sarà luce d'intorno a me.
12Dan maakt duisternis zelfs het niet donker voor U, Straalt de nacht als de dag, het donker als licht!
12Le tenebre stesse non possono oscurarti nulla; Anzi la notte ti risplende come il giorno; E le tenebre e la luce ti son tutt'uno.
13Want Gij hebt mijn nieren geschapen, Mij in de schoot van mijn moeder gevormd:
13Conciossiachè tu possegga le mie reni; Tu mi hai composto nel seno di mia madre.
14Ik dank U voor het ontzaglijk wonder van mijn ontstaan, En voor uw heerlijke werken.
14Io ti celebrerò; perciocchè io sono stato maravigliosamente formato In maniere stupende; Le tue opere son maravigliose, E l'anima mia lo sa molto bene.
15Gij hebt ook mijn ziel zorgvuldig gekend, En mijn gebeente bleef voor U niet verborgen, Toen ik in dat geheimvolle oord werd geschapen, Kunstig bewerkt in de diepten der aarde.
15La fabbrica delle mie ossa non ti fu celata, Quando io fui fatto in occulto, E lavorato nelle basse parti delle terra.
16Uw ogen hebben mijn vormeloze leden aanschouwd, In uw boek stonden ze allen beschreven: Ook de dagen, waarop ze werden gemaakt, Voordat er nog één van bestond.
16I tuoi occhi videro la massa informe del mio corpo; E tutte queste cose erano scritte nel tuo libro, Nel tempo che si formavano, Quando niuna di esse era ancora .
17Maar hoe ondoorgrondelijk zijn ùw gedachten voor mij, Hoe overweldigend is haar getal, o mijn God;
17Oh! quanto mi sono, o Dio, preziosi i tuoi pensamenti! Quanto son grandi le somme di essi!
18Ga ik ze tellen, ze zijn talrijker nog dan het zand, En als ik ontwaak, is mijn geest met U bezig!
18Se io li voglio annoverare, sono in maggior numero che la rena; Quando io mi risveglio, io sono ancora teco.
19Dood dan de bozen, o God, En laat de bloeddorstigen ver van mij blijven:
19Certo, o Dio, tu ucciderai l'empio; Perciò, uomini di sangue, dipartitevi da me.
20Die zich tegen uw plannen verzetten, En uw raadsbesluiten willen verijdelen.
20Perciocchè i tuoi nemici ti hanno nominato a scelleratezza; Hanno preso in bocca il tuo Nome in vano.
21Zou ik niet haten, die U haten, o Jahweh, Niet walgen van wie tegen U opstaan?
21O Signore, non odio io quelli che t'odiano? E non mi accuoro io per quelli che si levano contro a te?
22Ik haat ze zo fel, als ik haten kan, Mijn eigen vijanden zullen ze zijn!
22Io li odio d'un odio perfetto; Io li ho per nemici.
23Beproef mij, o God, en doorgrond mijn hart, Toets mij, en ken mijn gedachten:
23O Dio, investigami, e conosci il mio cuore; Provami, e conosci i miei pensieri;
24Zie, of ik op de weg der ongerechtigheid ben; Breng mij dan terug op het eeuwige pad!
24E vedi se vi è in me alcuna via iniqua; E giudami per la via del mondo.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.