Psalmen
Chapter 139
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Jahweh, Gij doorschouwt mij volmaakt, Gij zijt het, die mij doorgrondt;
1Al Músico principal: Salmo de David. OH Jehová, tú me has examinado y conocido.
2Gij kent mijn zitten en staan, En verstaat mijn gedachten van verre.
2Tú has conocido mi sentarme y mi levantarme, has entendido desde lejos mis pensamientos.
3Gij meet mijn lopen en liggen, Zijt met al mijn wegen vertrouwd;
3Mi senda y mi acostarme has rodeado, y estás impuesto en todos mis caminos.
4Ja, er komt geen woord op mijn tong, Of Gij kent het nauwkeurig, o Jahweh!
4Pues aun no está la palabra en mi lengua, y he aquí, oh Jehová, tú la sabes toda.
5Gij omsluit mij van achter en voren, En houdt mij geheel in uw hand.
5Detrás y delante me guarneciste, y sobre mí pusiste tu mano.
6Te wonderlijk is mij uw weten, Te hoog: ik kan het niet vatten.
6Más maravillosa es la ciencia que mi capacidad; alta es, no puedo comprenderla.
7Waar zou ik ooit uw geest ontlopen, Uw aanschijn kunnen ontvluchten?
7¿Adónde me iré de tu espíritu? ¿y adónde huiré de tu presencia?
8Stijg ik ten hemel: Gij zijt er; Daal ik in het dodenrijk af: Gij zijt er!
8Si subiere á los cielos, allí estás tú: y si en abismo hiciere mi estrado, he aquí allí tú estás.
9Sla ik de wieken als het morgenrood uit, En laat ik mij neer aan de grenzen der zee:
9Si tomare las alas del alba, y habitare en el extremo de la mar,
10Ook daar nog leidt mij uw hand, En houdt uw rechter mij vast.
10Aun allí me guiará tu mano, y me asirá tu diestra.
11Al zeg ik: Ha, de duisternis zal mij bedekken, De nacht mij verschuilen:
11Si dijere: Ciertamente las tinieblas me encubrirán; aun la noche resplandecerá tocante á mí.
12Dan maakt duisternis zelfs het niet donker voor U, Straalt de nacht als de dag, het donker als licht!
12Aun las tinieblas no encubren de ti, y la noche resplandece como el día: lo mismo te son las tinieblas que la luz.
13Want Gij hebt mijn nieren geschapen, Mij in de schoot van mijn moeder gevormd:
13Porque tú poseiste mis riñones; cubrísteme en el vientre de mi madre.
14Ik dank U voor het ontzaglijk wonder van mijn ontstaan, En voor uw heerlijke werken.
14Te alabaré; porque formidables, maravillosas son tus obras: estoy maravillado, y mi alma lo conoce mucho.
15Gij hebt ook mijn ziel zorgvuldig gekend, En mijn gebeente bleef voor U niet verborgen, Toen ik in dat geheimvolle oord werd geschapen, Kunstig bewerkt in de diepten der aarde.
15No fué encubierto de ti mi cuerpo, bien que en oculto fuí formado, y compaginado en lo más bajo de la tierra.
16Uw ogen hebben mijn vormeloze leden aanschouwd, In uw boek stonden ze allen beschreven: Ook de dagen, waarop ze werden gemaakt, Voordat er nog één van bestond.
16Mi embrión vieron tus ojos, y en tu libro estaban escritas todas aquellas cosas que fueron luego formadas, sin faltar una de ellas.
17Maar hoe ondoorgrondelijk zijn ùw gedachten voor mij, Hoe overweldigend is haar getal, o mijn God;
17Así que ¡cuán preciosos me son, oh Dios, tus pensamientos! ¡cuán multiplicadas son sus cuentas!
18Ga ik ze tellen, ze zijn talrijker nog dan het zand, En als ik ontwaak, is mijn geest met U bezig!
18Si los cuento, multiplícanse más que la arena: despierto, y aun estoy contigo.
19Dood dan de bozen, o God, En laat de bloeddorstigen ver van mij blijven:
19De cierto, oh Dios, matarás al impío; apartaos pues de mí, hombres sanguinarios.
20Die zich tegen uw plannen verzetten, En uw raadsbesluiten willen verijdelen.
20Porque blasfemias dicen ellos contra ti: tus enemigos toman en vano tu nombre .
21Zou ik niet haten, die U haten, o Jahweh, Niet walgen van wie tegen U opstaan?
21¿No tengo en odio, oh Jehová, á los que te aborrecen, y me conmuevo contra tus enemigos?
22Ik haat ze zo fel, als ik haten kan, Mijn eigen vijanden zullen ze zijn!
22Aborrézcolos con perfecto odio; téngolos por enemigos.
23Beproef mij, o God, en doorgrond mijn hart, Toets mij, en ken mijn gedachten:
23Examíname, oh Dios, y conoce mi corazón: pruébame y reconoce mis pensamientos:
24Zie, of ik op de weg der ongerechtigheid ben; Breng mij dan terug op het eeuwige pad!
24Y ve si hay en mí camino de perversidad, y guíame en el camino eterno.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.