Psalmen 114
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Halleluja! Toen Israël uit Egypte trok, Jakobs huis uit een volk van barbaren,
1CUANDO salió Israel de Egipto, la casa de Jacob del pueblo bárbaro,
2Werd Juda zijn heiligdom, En Israël zijn rijk.
2Judá fué su consagrada heredad, Israel su señorío.
3De zee zag het, en sloeg op de vlucht, De Jordaan deinsde terug;
3La mar vió, y huyó; el Jordán se volvió atrás.
4Als rammen sprongen de bergen weg, Als lammeren de heuvels.
4Los montes saltaron como carneros: los collados como corderitos.
5Zee, wat was er, dat gij gingt vluchten, Jordaan, dat gij achteruit zijt geweken;
5¿Qué tuviste, oh mar, que huiste? ¿y tú, oh Jordán, que te volviste atrás?
6Bergen, dat gij wegsprongt als rammen, Gij heuvels als lammeren?
6Oh montes, ¿por qué saltasteis como carneros, y vosotros, collados, como corderitos?
7Voor den Heer kromp de aarde ineen, Voor het aangezicht van Jakobs God;
7A la presencia del Señor tiembla la tierra, á la presencia del Dios de Jacob;
8Die de rots in een vijver herschiep, De klip in een borrelende bron!
8El cual tornó la peña en estanque de aguas, y en fuente de aguas la roca.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.