Psalmen 66
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Voor muziekbegeleiding. Een lied; een psalm.
1Al Músico principal: Cántico: Salmo. ACLAMAD á Dios con alegría, toda la tierra:
2Juich, heel de aarde, God ter ere, En prijs de glans van zijn Naam; Hef een heerlijk loflied aan,
2Cantad la gloria de su nombre: poned gloria en su alabanza.
3En zeg tot God: Hoe ontzaglijk uw werken! Om uw almacht moeten uw vijanden U vleien,
3Decid á Dios: ¡Cuán terribles tus obras! Por lo grande de tu fortaleza te mentirán tus enemigos.
4En moet heel de aarde U aanbidden, U ter eer een lofzang zingen, Glorie brengen aan uw Naam!
4Toda la tierra te adorará, y cantará á ti; cantarán á tu nombre. (Selah.)
5Komt, en ziet de werken van God, Zijn wondere daden voor de kinderen der mensen:
5Venid, y ved las obras de Dios, terrible en hechos sobre los hijos de los hombres.
6De zee legde Hij droog, En ze trokken te voet door de stroom! Laat ons in Hem ons verheugen,
6Volvió la mar en seco; por el río pasaron á pie; allí en él nos alegramos.
7Hij, die eeuwig heerst door zijn kracht; Hij houdt zijn oog op de volkeren gericht, En geen weerspannige durft tegen Hem opstaan.
7El se enseñorea con su fortaleza para siempre: sus ojos atalayan sobre las gentes: los rebeldes no serán ensalzados. (Selah.)
8Zegent, volkeren, onzen God, Laat zijn loflied luid weerschallen;
8Bendecid, pueblos, á nuestro Dios, y haced oir la voz de su alabanza.
9Hij is het, die ons in het leven hield, Onze voet niet liet wankelen.
9El es el que puso nuestra alma en vida, y no permitió que nuestros pies resbalasen.
10Toch hebt Gij ons beproefd, o mijn God, Ons gelouterd, als men zilver loutert;
10Porque tú nos probaste, oh Dios: ensayástenos como se afina la plata.
11Gij hebt ons in ellende gedompeld, Ons rampen op de heupen gelegd.
11Nos metiste en la red; pusiste apretura en nuestros lomos.
12Gij hebt anderen ons op het hoofd doen zitten, We zijn door vuur en water gegaan: Maar eindelijk toch Hebt Gij ons uitkomst gebracht.
12Hombres hiciste subir sobre nuestra cabeza; entramos en fuego y en aguas, y sacástenos á hartura.
13Zo treed ik met offers binnen uw huis, Om te volbrengen wat ik U heb beloofd:
13Entraré en tu casa con holocaustos: te pagaré mis votos,
14Wat mijn lippen hebben gesproken, Wat mijn mond in mijn nood heeft gezegd.
14Que pronunciaron mis labios, y habló mi boca, cuando angustiado estaba.
15Vette lammeren draag ik U Als brandoffers op; En met de offergeur van rammen, Bied ik U runderen en bokken aan.
15Holocaustos de cebados te ofreceré, con perfume de carneros: sacrificaré bueyes y machos cabríos. (Selah.)
16Komt nu en hoort, ik wil u allen verkonden, U, die God vreest, wat Hij aan mij heeft gedaan:
16Venid, oid todos los que teméis á Dios, y contaré lo que ha hecho á mi alma.
17Nauwelijks riep ik Hem aan met mijn mond, Of ik had een danklied op mijn tong!
17A él clamé con mi boca, y ensalzado fué con mi lengua.
18Was ik mij kwaad bewust in mijn hart, Dan had de Heer mij niet verhoord:
18Si en mi corazón hubiese yo mirado á la iniquidad, el Señor no me oyera.
19Maar nu heeft God naar mij geluisterd, En op mijn smeken gelet!
19Mas ciertamente me oyó Dios; antendió á la voz de mi súplica.
20Gezegend zij God, die mijn bede niet afwees, Mij zijn genade niet onthield!
20Bendito Dios, que no echó de sí mi oración, ni de mí su misericordia.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.