Psalmen
Chapter 3
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Een psalm van David, bij zijn vlucht voor zijn zoon Absalom. Jahweh, hoe talrijk zijn mijn belagers, Hoe talrijk, die tegen mij opstaan;
1Salmo de David, cuando huía de delante de Absalom su hijo. ¡OH Jehová, cuánto se han multiplicado mis enemigos! muchos se levantan contra mí.
2Hoe velen, die van mij zeggen: Voor hem geen heil bij zijn God!
2Muchos dicen de mi vida: No hay para él salud en Dios. (Selah.)
3Toch zijt Gij, Jahweh, het schild dat mij dekt, Mijn glorie en trots!
3Mas tú, Jehová, eres escudo alrededor de mí: mi gloria, y el que ensalza mi cabeza.
4Ik behoef maar tot Jahweh te roepen, Dan verhoort Hij mij van zijn heilige berg.
4Con mi voz clamé á Jehová, y él me respondió desde el monte de su santidad. (Selah.)
5Ik leg mij neer, slaap rustig in, Ontwaak, want Jahweh beschut mij.
5Yo me acosté, y dormí, y desperté; porque Jehová me sostuvo.
6Zo vrees ik de duizenden niet, Die van alle kant mij omringen.
6No temeré de diez millares de pueblos, que pusieren cerco contra mí.
7Sta op dan, Jahweh; Red mij, mijn God! Want Gij slaat al mijn vijanden in het gezicht, Stoot de bozen hun tanden stuk.
7Levántate, Jehová; sálvame, Dios mío: porque tú heriste á todos mis enemigos en la quijada; los dientes de los malos quebrantaste.
8Bij U, Jahweh, is redding; Op uw volk rust uw zegen.
8De Jehová es la salud: sobre tu pueblo será tu bendición. (Selah.)

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.