Psalmen
Chapter 59
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Voor muziekbegeleiding; “Verderf niet.” Een puntdicht van David, toen Saül het huis liet bewaken, om hem te doden. Red mij van mijn vijanden, o mijn God, Bescherm mij tegen mijn verdrukkers;
1Al Músico principal: sobre No destruyas: Michtam de David, cuando envió Saúl, y guardaron la casa para matarlo. LÍBRAME de mis enemigos, oh Dios mío: ponme en salvo de los que contra mí se levantan.
2Bevrijd mij van de woestelingen, Verlos mij van de bloeddorstigen.
2Líbrame de los que obran iniquidad, y sálvame de hombres sanguinarios.
3Want zie, ze belagen mijn leven, En geweldenaars grijpen mij aan;
3Porque he aquí están acechando mi vida: hanse juntado contra mí fuertes, no por falta mía, ni pecado mío, oh Jehová.
4O Jahweh, ofschoon ik niets kwaads of verkeerds heb gedaan, En geen schuld er aan heb, lopen zij uit en wachten mij op. Sta op! Snel mij te hulp en zie toe,
4Sin delito mío corren y se aperciben: despierta para venir á mi encuentro, y mira.
5Jahweh der heirscharen, Israëls God! Ontwaak, om al die trotsaards te straffen, Spaar geen van die valse verraders!
5Y tú, Jehová Dios de los ejércitos, Dios de Israel, despierta para visitar todas las gentes: no hayas misericordia de todos los que se rebelan con iniquidad. (Selah.)
6Iedere avond komen ze terug. En lopen de stad rond, jankend als honden.
6Volveránse á la tarde, ladrarán como perros, y rodearán la ciudad.
7Zie, ze kwijlen smaad uit hun mond, En het ligt op hun lippen: “Wie wil er wat horen!”
7He aquí proferirán con su boca; cuchillos están en sus labios, porque dicen : ¿Quién oye?
8Maar Jahweh, Gij lacht ze uit, En drijft met al die trotsaards de spot!
8Mas tú, Jehová, te reirás de ellos, te burlarás de todas las gentes.
9Mijn Sterkte, aan U klamp ik mij vast, Want Gij zijt mijn toevlucht, o God!
9De su fuerza esperaré yo en ti: porque Dios es mi defensa.
10Mijn God, uw goedheid trede mij tegen, En doe mij op mijn vijanden neerzien, o God.
10El Dios de mi misericordia me prevendrá: Dios me hará ver en mis enemigos mi deseo .
11Neen, spaar ze niet, opdat ze mijn volk niet verleiden; Maar doe ze vallen, en stort ze neer door uw kracht.
11No los matarás, porque mi pueblo no se olvide: hazlos vagar con tu fortaleza; y abátelos, oh Jehová, escudo nuestro,
12Vergeld hun, o Heer, het kwaad van hun mond En het woord hunner lippen; Laat ze in hun eigen trots zich verstrikken, Om de vloeken en leugens, die ze hebben gesproken.
12Por el pecado de su boca, por la palabra de sus labios; y sean presos por su soberbia, y por la maldición y mentira que profieren.
13Maak een eind aan hun woede, Maak een eind aan hun trots, Opdat ze erkennen, dat God heerst in Jakob Tot aan de grenzen der aarde.
13Acábalos con furor, acábalos, y no sean: y sepan que Dios domina en Jacob hasta los fines de la tierra. (Selah.)
14Laat ze terugkomen, iedere avond opnieuw, En door de stad lopen, jankend als honden,
14Vuelvan pues á la tarde, y ladren como perros, y rodeen la ciudad.
15Rondzwervend, om vreten te zoeken, En blaffen, wanneer ze niet vol zijn.
15Anden ellos errantes para hallar qué comer: y si no se saciaren, murmuren.
16Maar ìk zal uw almacht bezingen, Elke morgen uw goedertierenheid prijzen; Want Gij zijt mijn schuts, Mijn toevlucht in tijden van nood.
16Yo empero cantaré tu fortaleza, y loaré de mañana tu misericordia: porque has sido mi amparo y refugio en el día de mi angustia.
17Mijn Sterkte, U wil ik loven; Want Gij zijt mijn toevlucht, o God, mijn genadige God!
17Fortaleza mía, á ti cantaré; porque eres Dios de mi amparo, Dios de mi misericordia.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.