Psalmen
Chapter 107
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Brengt Jahweh dank, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
1ALABAD á Jehová, porque es bueno; porque para siempre es su misericordia.
2Zo moeten getuigen, die door Jahweh verlost zijn, En door Hem uit de nood zijn gered;
2Dígan lo los redimidos de Jehová, los que ha redimido del poder del enemigo,
3Die Hij van alle kant hierheen heeft gebracht, Van oost en west, van noord en zuid.
3Y los ha congregado de las tierras, del oriente y del occidente, del aquilón y de la mar.
4Sommigen doolden in woestijn en wildernis rond, Zonder de weg naar hun woonplaats te vinden;
4Anduvieron perdidos por el desierto, por la soledad sin camino, no hallando ciudad de población.
5Ze leden honger en dorst, En hun leven verkwijnde.
5Hambrientos y sedientos, su alma desfallecía en ellos.
6Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
6Habiendo empero clamado á Jehová en su angustia, librólos de sus aflicciones:
7Hij bracht ze weer op de veilige weg, Zodat ze hun woonplaats bereikten.
7Y dirigiólos por camino derecho, para que viniesen á ciudad de población.
8Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
8Alaben la misericordia de Jehová, y sus maravillas para con los hijos de los hombres.
9Want den dorstige heeft Hij gelaafd, Den hongerige heeft Hij verzadigd!
9Porque sació al alma menesterosa, y llenó de bien al alma hambrienta.
10Anderen zaten in duister en donker, In ellende en boeien gekluisterd;
10Los que moraban en tinieblas y sombra de muerte, aprisionados en aflicción y en hierros;
11Want ze hadden zich tegen Gods geboden verzet, En de vermaning van den Allerhoogste veracht;
11Por cuanto fueron rebeldes á las palabras de Jehová, y aborrecieron el consejo del Altísimo,
12Zo was door rampspoed de moed hun ontzonken, En reddeloos stortten ze neer.
12Por lo que quebrantó él con trabajo sus corazones, cayeron y no hubo quien les ayudase;
13Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
13Luego que clamaron á Jehová en su angustia, librólos de sus aflicciones.
14Hij haalde ze uit het duister en donker, En verbrak hun boeien.
14Sacólos de las tinieblas y de la sombra de muerte, y rompió sus prisiones.
15Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
15Alaben la misericordia de Jehová, y sus maravillas para con los hijos de los hombres.
16Want metalen poorten heeft Hij verbrijzeld, Ijzeren grendels in stukken geslagen!
16Porque quebrantó las puertas de bronce, y desmenuzó los cerrojos de hierro.
17Anderen werden ziek door hun zondige wandel, Hadden smarten te lijden om hun schuld;
17Los insensatos, á causa del camino de su rebelión y á causa de sus maldades, fueron afligidos.
18Alle voedsel begon hun te walgen, En ze stonden al dicht bij de poorten des doods.
18Su alma abominó toda vianda, y llegaron hasta las puertas de la muerte.
19Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten.
19Mas clamaron á Jehová en su angustia, y salvólos de sus aflicciones.
20Hij sprak: en ze werden genezen, En Hij ontrukte hen weer aan het graf.
20Envió su palabra, y curólos, y librólos de su ruina.
21Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
21Alaben la misericordia de Jehová, y sus maravillas para con los hijos de los hombres:
22Laat ze dankoffers brengen, En jubelend zijn werken vermelden!
22Y sacrifiquen sacrificios de alabanza, y publiquen sus obras con júbilo.
23Anderen staken op schepen in zee, Om handel te drijven op de onmetelijke wateren.
23Los que descienden á la mar en navíos, y hacen negocio en las muchas aguas,
24Ook zij hebben Jahweh’s werken aanschouwd, In de kolken zijn wonderen.
24Ellos han visto las obras de Jehová, y sus maravillas en el profundo.
25Hij sprak: en er stak een stormwind op, Die zwiepte de golven omhoog;
25El dijo, é hizo saltar el viento de la tempestad, que levanta sus ondas.
26Ze vlogen op naar de hemel, ploften neer in de diepten, En vergingen van angst;
26Suben á los cielos, descienden á los abismos: sus almas se derriten con el mal.
27Ze rolden en tuimelden, als waren ze dronken, En al hun zeemanschap was tevergeefs.
27Tiemblan, y titubean como borrachos, y toda su ciencia es perdida.
28Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
28Claman empero á Jehová en su angustia, y líbralos de sus aflicciones.
29Hij bedaarde de storm tot een bries, En de golven legden zich neer;
29Hace parar la tempestad en sosiego, y se apaciguan sus ondas.
30Wat waren ze blij, toen het kalm was geworden, En Hij hen naar de verbeide haven geleidde!
30Alégranse luego porque se reposaron; y él los guía al puerto que deseaban.
31Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
31Alaben la misericordia de Jehová, y sus maravillas para con los hijos de los hombres.
32Hem in de volksgemeente roemen, Hem in de raad der oudsten prijzen!
32Y ensálcenlo en la congregación del pueblo; y en consistorio de ancianos lo alaben.
33Rivieren maakt Hij tot steppe, Waterbronnen tot dorstige grond;
33El vuelve los ríos en desierto, y los manantiales de las aguas en secadales;
34Vruchtbaar land tot zilte bodem, Om de boosheid van zijn bewoners.
34La tierra fructífera en salados, por la maldad de los que la habitan.
35Maar van de steppe maakt Hij een vijver, Waterbronnen van het dorre land;
35Vuelve el desierto en estanques de aguas, y la tierra seca en manantiales.
36Daar zet Hij de hongerigen neer, Om er zich een woonplaats te stichten.
36Y allí aposenta á los hambrientos, y disponen ciudad para habitación;
37Ze bezaaien hun akkers, beplanten hun gaarden, En oogsten hun vruchten.
37Y siembran campos, y plantan viñas, y rinden crecido fruto.
38Hij zegent hen: ze worden zeer talrijk, En Hij vermeerdert hun vee.
38Y los bendice, y se multiplican en gran manera; y no disminuye sus bestias.
39En nemen ze af in getal, en gaan ze ten onder Door verdrukking, ellende en jammer:
39Y luego son menoscabados y abatidos á causa de tiranía, de males y congojas.
40Dan geeft Hij de tyrannen prijs aan de schande, En laat ze door de wildernis dolen.
40El derrama menosprecio sobre los príncipes, y les hace andar errados, vagabundos, sin camino:
41Maar den arme heft Hij uit de ellende weer op, En maakt zijn geslacht weer talrijk als kudden:
41Y levanta al pobre de la miseria, y hace multiplicar las familias como rebaños de ovejas.
42De vromen zien het, en juichen; Maar wat boos is, zwijgt stil.
42Vean los rectos, y alégrense; y toda maldad cierre su boca.
43Wie wijs is, neemt het ter harte, En beseft de goedheid van Jahweh!
43¿Quién es sabio y guardará estas cosas, y entenderá las misericordias de Jehová?

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.