Psalmen
Chapter 107
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Brengt Jahweh dank, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
1Canticum Psalmi, ipsi David.
2Zo moeten getuigen, die door Jahweh verlost zijn, En door Hem uit de nood zijn gered;
2[Paratum cor meum, Deus, paratum cor meum; cantabo, et psallam in gloria mea.
3Die Hij van alle kant hierheen heeft gebracht, Van oost en west, van noord en zuid.
3Exsurge, gloria mea; exsurge, psalterium et cithara; exsurgam diluculo.
4Sommigen doolden in woestijn en wildernis rond, Zonder de weg naar hun woonplaats te vinden;
4Confitebor tibi in populis, Domine, et psallam tibi in nationibus:
5Ze leden honger en dorst, En hun leven verkwijnde.
5quia magna est super cælos misericordia tua, et usque ad nubes veritas tua.
6Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
6Exaltare super cælos, Deus, et super omnem terram gloria tua:
7Hij bracht ze weer op de veilige weg, Zodat ze hun woonplaats bereikten.
7ut liberentur dilecti tui. Salvum fac dextera tua, et exaudi me.
8Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
8Deus locutus est in sancto suo: Exsultabo, et dividam Sichimam; et convallem tabernaculorum dimetiar.
9Want den dorstige heeft Hij gelaafd, Den hongerige heeft Hij verzadigd!
9Meus est Galaad, et meus est Manasses, et Ephraim susceptio capitis mei. Juda rex meus;
10Anderen zaten in duister en donker, In ellende en boeien gekluisterd;
10Moab lebes spei meæ: in Idumæam extendam calceamentum meum; mihi alienigenæ amici facti sunt.
11Want ze hadden zich tegen Gods geboden verzet, En de vermaning van den Allerhoogste veracht;
11Quis deducet me in civitatem munitam? quis deducet me usque in Idumæam?
12Zo was door rampspoed de moed hun ontzonken, En reddeloos stortten ze neer.
12nonne tu, Deus, qui repulisti nos? et non exibis, Deus, in virtutibus nostris?
13Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
13Da nobis auxilium de tribulatione, quia vana salus hominis.
14Hij haalde ze uit het duister en donker, En verbrak hun boeien.
14In Deo faciemus virtutem; et ipse ad nihilum deducet inimicos nostros.]
15Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
no verse 15 in this text
16Want metalen poorten heeft Hij verbrijzeld, Ijzeren grendels in stukken geslagen!
no verse 16 in this text
17Anderen werden ziek door hun zondige wandel, Hadden smarten te lijden om hun schuld;
no verse 17 in this text
18Alle voedsel begon hun te walgen, En ze stonden al dicht bij de poorten des doods.
no verse 18 in this text
19Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten.
no verse 19 in this text
20Hij sprak: en ze werden genezen, En Hij ontrukte hen weer aan het graf.
no verse 20 in this text
21Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
no verse 21 in this text
22Laat ze dankoffers brengen, En jubelend zijn werken vermelden!
no verse 22 in this text
23Anderen staken op schepen in zee, Om handel te drijven op de onmetelijke wateren.
no verse 23 in this text
24Ook zij hebben Jahweh’s werken aanschouwd, In de kolken zijn wonderen.
no verse 24 in this text
25Hij sprak: en er stak een stormwind op, Die zwiepte de golven omhoog;
no verse 25 in this text
26Ze vlogen op naar de hemel, ploften neer in de diepten, En vergingen van angst;
no verse 26 in this text
27Ze rolden en tuimelden, als waren ze dronken, En al hun zeemanschap was tevergeefs.
no verse 27 in this text
28Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
no verse 28 in this text
29Hij bedaarde de storm tot een bries, En de golven legden zich neer;
no verse 29 in this text
30Wat waren ze blij, toen het kalm was geworden, En Hij hen naar de verbeide haven geleidde!
no verse 30 in this text
31Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
no verse 31 in this text
32Hem in de volksgemeente roemen, Hem in de raad der oudsten prijzen!
no verse 32 in this text
33Rivieren maakt Hij tot steppe, Waterbronnen tot dorstige grond;
no verse 33 in this text
34Vruchtbaar land tot zilte bodem, Om de boosheid van zijn bewoners.
no verse 34 in this text
35Maar van de steppe maakt Hij een vijver, Waterbronnen van het dorre land;
no verse 35 in this text
36Daar zet Hij de hongerigen neer, Om er zich een woonplaats te stichten.
no verse 36 in this text
37Ze bezaaien hun akkers, beplanten hun gaarden, En oogsten hun vruchten.
no verse 37 in this text
38Hij zegent hen: ze worden zeer talrijk, En Hij vermeerdert hun vee.
no verse 38 in this text
39En nemen ze af in getal, en gaan ze ten onder Door verdrukking, ellende en jammer:
no verse 39 in this text
40Dan geeft Hij de tyrannen prijs aan de schande, En laat ze door de wildernis dolen.
no verse 40 in this text
41Maar den arme heft Hij uit de ellende weer op, En maakt zijn geslacht weer talrijk als kudden:
no verse 41 in this text
42De vromen zien het, en juichen; Maar wat boos is, zwijgt stil.
no verse 42 in this text
43Wie wijs is, neemt het ter harte, En beseft de goedheid van Jahweh!
no verse 43 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.