Psalmen 72
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Van Salomon. Geef aan den Koning uw rechtsmacht, o God, En uw gerechtigheid aan den Zoon van den Koning;
1Psalmus Asaph. [Quam bonus Israël Deus, his qui recto sunt corde !
2Opdat Hij uw volk met rechtvaardigheid richte, En uw misdeelden volgens recht.
2Mei autem pene moti sunt pedes, pene effusi sunt gressus mei:
3De bergen zullen de vrede brengen, De heuvelen gerechtigheid voor het volk;
3quia zelavi super iniquos, pacem peccatorum videns.
4Hij zal recht verschaffen aan het volk in verdrukking, De armen helpen, maar den verdrukker vertrappen.
4Quia non est respectus morti eorum, et firmamentum in plaga eorum.
5Hij zal leven, zolang de zon blijft stralen, Met de maan van geslacht tot geslacht;
5In labore hominum non sunt, et cum hominibus non flagellabuntur.
6Hij zal neerdalen als regen op de beemden, Als een bui, die de aarde besproeit.
6Ideo tenuit eos superbia; operti sunt iniquitate et impietate sua.
7In zijn dagen zal de gerechtigheid bloeien, En een volheid van vrede, totdat de maan niet meer schijnt.
7Prodiit quasi ex adipe iniquitas eorum; transierunt in affectum cordis.
8Van zee tot zee zal Hij heersen, Van de Eufraat tot de grenzen der aarde.
8Cogitaverunt et locuti sunt nequitiam; iniquitatem in excelso locuti sunt.
9Zijn tegenstanders zullen de knie voor Hem buigen, Zijn vijanden in het stof moeten bijten;
9Posuerunt in cælum os suum, et lingua eorum transivit in terra.
10De koningen van Tarsjisj en zijn kusten, Zullen Hem geschenken brengen. De koningen van Sjeba en Seba Zullen Hem hun schatting betalen;
10Ideo convertetur populus meus hic, et dies pleni invenientur in eis.
11Alle vorsten Hem huldigen, Alle volken Hem dienen.
11Et dixerunt: Quomodo scit Deus, et si est scientia in excelso?
12Want Hij zal den arme tegen den rijke beschermen, En den verdrukte, die geen helper meer heeft;
12Ecce ipsi peccatores, et abundantes in sæculo obtinuerunt divitias.
13Zich over den zwakke en arme ontfermen, En uitkomst brengen aan de misdeelden.
13Et dixi: Ergo sine causa justificavi cor meum, et lavi inter innocentes manus meas,
14Hij zal ze verlossen van druk en geweld, En hun bloed zal kostbaar zijn in zijn ogen;
14et fui flagellatus tota die, et castigatio mea in matutinis.
15Hij zal ze doen leven, en het goud van Sjeba hun schenken, Steeds voor hen bidden, ze iedere dag zegenen.
15Si dicebam: Narrabo sic; ecce nationem filiorum tuorum reprobavi.
16Dan zal er een overvloed van koren zijn in het land, Het zal wuiven op de toppen der bergen; Zijn aren zullen als de Libanon bloeien, En de halmen als het kruid op het veld.
16Existimabam ut cognoscerem hoc; labor est ante me:
17Zijn Naam zij voor eeuwig gezegend, Zolang de zon schijnt, heerse zijn Naam: Alle volkeren zullen zich daarmee zegenen, Alle geslachten der aarde hem loven!
17donec intrem in sanctuarium Dei, et intelligam in novissimis eorum.
18Gezegend zij Jahweh, lsraëls God, Die wonderen doet, Hij alleen!
18Verumtamen propter dolos posuisti eis; dejecisti eos dum allevarentur.
19Gezegend voor eeuwig zijn heerlijke Naam, Heel de aarde worde vervuld van zijn glorie! Amen, Amen!
19Quomodo facti sunt in desolationem? subito defecerunt: perierunt propter iniquitatem suam.
20Einde der gebeden van David, den zoon van Jesse.
20Velut somnium surgentium, Domine, in civitate tua imaginem ipsorum ad nihilum rediges.
no verse 21 in this text
21Quia inflammatum est cor meum, et renes mei commutati sunt;
no verse 22 in this text
22et ego ad nihilum redactus sum, et nescivi:
no verse 23 in this text
23ut jumentum factus sum apud te, et ego semper tecum.
no verse 24 in this text
24Tenuisti manum dexteram meam, et in voluntate tua deduxisti me, et cum gloria suscepisti me.
no verse 25 in this text
25Quid enim mihi est in cælo? et a te quid volui super terram?
no verse 26 in this text
26Defecit caro mea et cor meum; Deus cordis mei, et pars mea, Deus in æternum.
no verse 27 in this text
27Quia ecce qui elongant se a te peribunt; perdidisti omnes qui fornicantur abs te.
no verse 28 in this text
28Mihi autem adhærere Deo bonum est; ponere in Domino Deo spem meam: ut annuntiem omnes prædicationes tuas in portis filiæ Sion.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.