Psalmen
Chapter 89
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Clementine Vulgate…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Een leerdicht van Etan, den Ezrachiet. Uw genade, o Jahweh, wil ik eeuwig bezingen, Uw trouw verkonden van geslacht tot geslacht!
1Oratio Moysi, hominis Dei. [Domine, refugium factus es nobis a generatione in generationem.
2Want Gij hebt gesproken: Mijn genade duurt eeuwig, Mijn trouw staat als de hemel onwankelbaar vast.
2Priusquam montes fierent, aut formaretur terra et orbis, a sæculo et usque in sæculum tu es, Deus.
3Ik heb een verbond met mijn uitverkorene gesloten, Een eed gezworen aan David, mijn dienaar:
3Ne avertas hominem in humilitatem: et dixisti: Convertimini, filii hominum.
4Voor eeuwig zal Ik uw nazaat behouden, Uw troon doen staan van geslacht tot geslacht!
4Quoniam mille anni ante oculos tuos tamquam dies hesterna quæ præteriit: et custodia in nocte
5De hemelen loven uw wondermacht, Jahweh, En uw trouw in de gemeenschap der heiligen;
5quæ pro nihilo habentur, eorum anni erunt.
6Want wie in de wolken kan zich meten met Jahweh, Wie van Gods zonen is aan Jahweh gelijk?
6Mane sicut herba transeat; mane floreat, et transeat; vespere decidat, induret, et arescat.
7Geweldig is God in de gemeenschap der heiligen, Machtig, ontzaglijk boven allen om Hem heen!
7Quia defecimus in ira tua, et in furore tuo turbati sumus.
8God der heirscharen, Jahweh, wie komt U nabij; Uw almacht en trouw omringen U, Jahweh!
8Posuisti iniquitates nostras in conspectu tuo; sæculum nostrum in illuminatione vultus tui.
9Gij beheerst de onstuimige zee, En bedaart de bruisende golven;
9Quoniam omnes dies nostri defecerunt, et in ira tua defecimus. Anni nostri sicut aranea meditabuntur;
10Gij hebt Ráhab weggetrapt als een kreng, Uw vijanden uiteen gejaagd door uw machtige arm.
10dies annorum nostrorum in ipsis septuaginta anni. Si autem in potentatibus octoginta anni, et amplius eorum labor et dolor; quoniam supervenit mansuetudo, et corripiemur.
11Van U is de hemel, van U is de aarde; Gij hebt de wereld gegrond met wat ze bevat.
11Quis novit potestatem iræ tuæ, et præ timore tuo iram tuam
12Het Noorden en Zuiden, Gij hebt ze geschapen; Tabor en Hermon prijzen uw Naam!
12dinumerare? Dexteram tuam sic notam fac, et eruditos corde in sapientia.
13Aan U de arm met heldenkracht; Uw hand is sterk, uw rechter verheven.
13Convertere, Domine; usquequo? et deprecabilis esto super servos tuos.
14Recht en gerechtigheid dragen uw troon, Genade en trouw gaan voor uw aangezicht uit!
14Repleti sumus mane misericordia tua; et exsultavimus, et delectati sumus omnibus diebus nostris.
15Gelukkig het volk, dat nog jubelen kan, En wandelen in het licht van uw aanschijn, o Jahweh;
15Lætati sumus pro diebus quibus nos humiliasti; annis quibus vidimus mala.
16Dat zich altijd verheugt in uw Naam, En in uw gerechtigheid roemt.
16Respice in servos tuos et in opera tua, et dirige filios eorum.
17Want Gij zijt onze heerlijke schutse, Door uw goedheid heft onze hoorn zich omhoog:
17Et sit splendor Domini Dei nostri super nos, et opera manuum nostrarum dirige super nos, et opus manuum nostrarum dirige.]
18Want Jahweh is ons tot schild, Israëls Heilige tot Koning!
no verse 18 in this text
19Eens hebt Gij in visioenen gesproken, En tot uw getrouwe gezegd: Ik heb een dapperen strijder gekroond, Hoog verheven een jongeman uit het volk.
no verse 19 in this text
20Ik heb David, mijn dienaar, gevonden, Hem met mijn heilige olie gezalfd;
no verse 20 in this text
21Mijn hand houdt hem vast, En mijn arm zal hem stutten!
no verse 21 in this text
22Geen vijand zal hem bespringen, Geen booswicht benauwen;
no verse 22 in this text
23Ik leg zijn vijanden voor hem neer, En sla zijn haters tegen de grond.
no verse 23 in this text
24Mijn trouw en genade zullen hem steeds vergezellen, Door mijn Naam zal zijn hoorn zich verheffen;
no verse 24 in this text
25Ik leg zijn hand op de zee, Zijn rechter op de rivieren.
no verse 25 in this text
26Hij mag tot Mij roepen: Mijn Vader zijt Gij, Mijn God en de Rots van mijn heil;
no verse 26 in this text
27En Ik zal hem tot eerstgeborene verheffen, Hoog boven de koningen der aarde.
no verse 27 in this text
28Eeuwig zal Ik hem mijn genade behouden, Onverbreekbaar zal mijn verbond met hem zijn:
no verse 28 in this text
29Ik zal zijn geslacht laten duren voor eeuwig, Zijn troon als de dagen des hemels!
no verse 29 in this text
30En mochten zijn zonen mijn wet verzaken, En niet wandelen naar mijn geboden,
no verse 30 in this text
31Mijn voorschriften schenden, Mijn bevel overtreden:
no verse 31 in this text
32Dan zal Ik wel met de roede hun misdaad bestraffen, En met slagen hun schuld,
no verse 32 in this text
33Maar hèm zal Ik mijn gunst niet onthouden, En mijn trouw niet verloochenen.
no verse 33 in this text
34Mijn verbond zal Ik nimmer verbreken, Nooit veranderen wat Ik eens heb gezegd;
no verse 34 in this text
35Bij mijn heiligheid heb Ik het eens en voor altijd gezworen, En nooit breek Ik David mijn woord!
no verse 35 in this text
36Zijn geslacht zal eeuwig bestaan, En zijn troon als de zon voor mijn aanschijn;
no verse 36 in this text
37Als de maan, die stand houdt voor eeuwig, En trouw in de wolken blijft staan.
no verse 37 in this text
38En nu hebt Gij toch uw Gezalfde versmaad en verstoten, Tegen hem uw gramschap ontstoken;
no verse 38 in this text
39Het verbond met uw dienaar verbroken, Zijn kroon vertrapt op de grond.
no verse 39 in this text
40Al zijn wallen hebt Gij geslecht, Zijn vestingen in puin gelegd;
no verse 40 in this text
41Iedereen plundert hem, die er voorbij gaat, En zijn buren spotten met hem.
no verse 41 in this text
42Gij hebt de rechterhand van zijn verdrukkers verhoogd, En al zijn vijanden van blijdschap doen juichen,
no verse 42 in this text
43Doen wijken de kling van zijn zwaard, Hem geen stand doen houden in de strijd.
no verse 43 in this text
44Gij hebt hem van zijn glorie beroofd, Zijn troon ter aarde geworpen;
no verse 44 in this text
45De dagen verkort van zijn jeugdige kracht, En hem met schande bedekt.
no verse 45 in this text
46Hoe lang nog, Jahweh, zult Gij U maar altijd verbergen, En zal uw gramschap laaien als vuur?
no verse 46 in this text
47Bedenk toch, wat het leven is, Hoe vergankelijk Gij den mens hebt gemaakt.
no verse 47 in this text
48Waar leeft de man, die de dood niet zal zien, Zijn leven kan redden uit de klauw van het graf?
no verse 48 in this text
49Heer, waar zijn dan uw vroegere gunsten gebleven, Die Gij David bij uw trouw hadt bezworen?
no verse 49 in this text
50Ach Heer, gedenk toch de smaad van uw dienaar, De hoon der volken, die ik in mijn boezem verkrop,
no verse 50 in this text
51Waarmee uw vijanden schimpen, o Jahweh, En uw Gezalfde tergen bij iedere stap!
no verse 51 in this text
52Gezegend zij Jahweh in eeuwigheid; Amen, Amen!
no verse 52 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.