Psalmen 89
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Een leerdicht van Etan, den Ezrachiet. Uw genade, o Jahweh, wil ik eeuwig bezingen, Uw trouw verkonden van geslacht tot geslacht!
1A prayer of Moses the man of God. Lord, thou hast been our refuge from generation to generation.
2Want Gij hebt gesproken: Mijn genade duurt eeuwig, Mijn trouw staat als de hemel onwankelbaar vast.
2Before the mountains were made, or the earth and the world was formed; from eternity and to eternity thou art God.
3Ik heb een verbond met mijn uitverkorene gesloten, Een eed gezworen aan David, mijn dienaar:
3Turn not man away to be brought low: and thou hast said: Be converted, O ye sons of men.
4Voor eeuwig zal Ik uw nazaat behouden, Uw troon doen staan van geslacht tot geslacht!
4For a thousand years in thy sight are as yesterday, which is past. And as a watch in the night,
5De hemelen loven uw wondermacht, Jahweh, En uw trouw in de gemeenschap der heiligen;
5Things that are counted nothing, shall their years be.
6Want wie in de wolken kan zich meten met Jahweh, Wie van Gods zonen is aan Jahweh gelijk?
6In the morning man shall grow up like grass; in the morning he shall flourish and pass away: in the evening he shall fall, grow dry, and wither.
7Geweldig is God in de gemeenschap der heiligen, Machtig, ontzaglijk boven allen om Hem heen!
7For in thy wrath we have fainted away: and are troubled in thy indignation.
8God der heirscharen, Jahweh, wie komt U nabij; Uw almacht en trouw omringen U, Jahweh!
8Thou hast set our iniquities before thy eyes: our life in the light of thy countenance.
9Gij beheerst de onstuimige zee, En bedaart de bruisende golven;
9For all our days are spent; and in thy wrath we have fainted away. Our years shall be considered as a spider:
10Gij hebt Ráhab weggetrapt als een kreng, Uw vijanden uiteen gejaagd door uw machtige arm.
10The days of our years in them are threescore and ten years. But if in the strong they be fourscore years: and what is more of them is labour and sorrow. For mildness is come upon us: and we shall be corrected.
11Van U is de hemel, van U is de aarde; Gij hebt de wereld gegrond met wat ze bevat.
11Who knoweth the power of thy anger, and for thy fear
12Het Noorden en Zuiden, Gij hebt ze geschapen; Tabor en Hermon prijzen uw Naam!
12Can number thy wrath? So make thy right hand known: and men learned in heart, in wisdom.
13Aan U de arm met heldenkracht; Uw hand is sterk, uw rechter verheven.
13Return, O Lord, how long? and be entreated in favour of thy servants.
14Recht en gerechtigheid dragen uw troon, Genade en trouw gaan voor uw aangezicht uit!
14We are filled in the morning with thy mercy: and we have rejoiced, and are delighted all our days.
15Gelukkig het volk, dat nog jubelen kan, En wandelen in het licht van uw aanschijn, o Jahweh;
15We have rejoiced for the days in which thou hast humbled us: for the years in which we have seen evils.
16Dat zich altijd verheugt in uw Naam, En in uw gerechtigheid roemt.
16Look upon thy servants and upon their works: and direct their children.
17Want Gij zijt onze heerlijke schutse, Door uw goedheid heft onze hoorn zich omhoog:
17And let the brightness of the Lord our God be upon us: and direct thou the works of our hands over us; yea, the work of our hands do thou direct.
18Want Jahweh is ons tot schild, Israëls Heilige tot Koning!
no verse 18 in this text
19Eens hebt Gij in visioenen gesproken, En tot uw getrouwe gezegd: Ik heb een dapperen strijder gekroond, Hoog verheven een jongeman uit het volk.
no verse 19 in this text
20Ik heb David, mijn dienaar, gevonden, Hem met mijn heilige olie gezalfd;
no verse 20 in this text
21Mijn hand houdt hem vast, En mijn arm zal hem stutten!
no verse 21 in this text
22Geen vijand zal hem bespringen, Geen booswicht benauwen;
no verse 22 in this text
23Ik leg zijn vijanden voor hem neer, En sla zijn haters tegen de grond.
no verse 23 in this text
24Mijn trouw en genade zullen hem steeds vergezellen, Door mijn Naam zal zijn hoorn zich verheffen;
no verse 24 in this text
25Ik leg zijn hand op de zee, Zijn rechter op de rivieren.
no verse 25 in this text
26Hij mag tot Mij roepen: Mijn Vader zijt Gij, Mijn God en de Rots van mijn heil;
no verse 26 in this text
27En Ik zal hem tot eerstgeborene verheffen, Hoog boven de koningen der aarde.
no verse 27 in this text
28Eeuwig zal Ik hem mijn genade behouden, Onverbreekbaar zal mijn verbond met hem zijn:
no verse 28 in this text
29Ik zal zijn geslacht laten duren voor eeuwig, Zijn troon als de dagen des hemels!
no verse 29 in this text
30En mochten zijn zonen mijn wet verzaken, En niet wandelen naar mijn geboden,
no verse 30 in this text
31Mijn voorschriften schenden, Mijn bevel overtreden:
no verse 31 in this text
32Dan zal Ik wel met de roede hun misdaad bestraffen, En met slagen hun schuld,
no verse 32 in this text
33Maar hèm zal Ik mijn gunst niet onthouden, En mijn trouw niet verloochenen.
no verse 33 in this text
34Mijn verbond zal Ik nimmer verbreken, Nooit veranderen wat Ik eens heb gezegd;
no verse 34 in this text
35Bij mijn heiligheid heb Ik het eens en voor altijd gezworen, En nooit breek Ik David mijn woord!
no verse 35 in this text
36Zijn geslacht zal eeuwig bestaan, En zijn troon als de zon voor mijn aanschijn;
no verse 36 in this text
37Als de maan, die stand houdt voor eeuwig, En trouw in de wolken blijft staan.
no verse 37 in this text
38En nu hebt Gij toch uw Gezalfde versmaad en verstoten, Tegen hem uw gramschap ontstoken;
no verse 38 in this text
39Het verbond met uw dienaar verbroken, Zijn kroon vertrapt op de grond.
no verse 39 in this text
40Al zijn wallen hebt Gij geslecht, Zijn vestingen in puin gelegd;
no verse 40 in this text
41Iedereen plundert hem, die er voorbij gaat, En zijn buren spotten met hem.
no verse 41 in this text
42Gij hebt de rechterhand van zijn verdrukkers verhoogd, En al zijn vijanden van blijdschap doen juichen,
no verse 42 in this text
43Doen wijken de kling van zijn zwaard, Hem geen stand doen houden in de strijd.
no verse 43 in this text
44Gij hebt hem van zijn glorie beroofd, Zijn troon ter aarde geworpen;
no verse 44 in this text
45De dagen verkort van zijn jeugdige kracht, En hem met schande bedekt.
no verse 45 in this text
46Hoe lang nog, Jahweh, zult Gij U maar altijd verbergen, En zal uw gramschap laaien als vuur?
no verse 46 in this text
47Bedenk toch, wat het leven is, Hoe vergankelijk Gij den mens hebt gemaakt.
no verse 47 in this text
48Waar leeft de man, die de dood niet zal zien, Zijn leven kan redden uit de klauw van het graf?
no verse 48 in this text
49Heer, waar zijn dan uw vroegere gunsten gebleven, Die Gij David bij uw trouw hadt bezworen?
no verse 49 in this text
50Ach Heer, gedenk toch de smaad van uw dienaar, De hoon der volken, die ik in mijn boezem verkrop,
no verse 50 in this text
51Waarmee uw vijanden schimpen, o Jahweh, En uw Gezalfde tergen bij iedere stap!
no verse 51 in this text
52Gezegend zij Jahweh in eeuwigheid; Amen, Amen!
no verse 52 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.