Psalmen 89
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Een leerdicht van Etan, den Ezrachiet. Uw genade, o Jahweh, wil ik eeuwig bezingen, Uw trouw verkonden van geslacht tot geslacht!
1На науку; від Етана Езрагітського. Про милостї Господа буду сьпівати по віки, з роду в рід устами моїми звіщати вірність твою.
2Want Gij hebt gesproken: Mijn genade duurt eeuwig, Mijn trouw staat als de hemel onwankelbaar vast.
2Я бо сказав собі, що на віки основана милість, і на небесах утвердиш вірність твою.
3Ik heb een verbond met mijn uitverkorene gesloten, Een eed gezworen aan David, mijn dienaar:
3Зробив я завіт з вибраньцем моїм; я клявся перед Давидом, слугою моїм:
4Voor eeuwig zal Ik uw nazaat behouden, Uw troon doen staan van geslacht tot geslacht!
4На віки забезпечу насїннє твоє, і на всї роди престіл твій збудую.
5De hemelen loven uw wondermacht, Jahweh, En uw trouw in de gemeenschap der heiligen;
5І небеса прославлять чудеса твої, Господи, і вірність твою в зборі сьвятих.
6Want wie in de wolken kan zich meten met Jahweh, Wie van Gods zonen is aan Jahweh gelijk?
6Кого бо над облаками рівняти з Господом? Хто між синами потужних рівня Господеві?
7Geweldig is God in de gemeenschap der heiligen, Machtig, ontzaglijk boven allen om Hem heen!
7Бог вельми страшний в громадї сьвятих, і страшний над усїма, що кругом його.
8God der heirscharen, Jahweh, wie komt U nabij; Uw almacht en trouw omringen U, Jahweh!
8Господи, Боже сил небесних, хто потужний, як ти, Господи? І вірність твоя кругом тебе.
9Gij beheerst de onstuimige zee, En bedaart de bruisende golven;
9Ти правиш над бурханнєм моря; підіймуться филї його, — ти втихомиряєш їх.
10Gij hebt Ráhab weggetrapt als een kreng, Uw vijanden uiteen gejaagd door uw machtige arm.
10Ти розтоптав Египет, як вбитого; сильним рамям твоїм розсипав ворогів твоїх.
11Van U is de hemel, van U is de aarde; Gij hebt de wereld gegrond met wat ze bevat.
11Твої небеса і земля твоя; земного круга і всю повню його ти основав єси.
12Het Noorden en Zuiden, Gij hebt ze geschapen; Tabor en Hermon prijzen uw Naam!
12Північ і полудень — ти сотворив їх; Табор і Гермон торжествують задля імені твого.
13Aan U de arm met heldenkracht; Uw hand is sterk, uw rechter verheven.
13Рамя твоє потужне, рука твоя сильна, висока правиця твоя.
14Recht en gerechtigheid dragen uw troon, Genade en trouw gaan voor uw aangezicht uit!
14Справедливість і суд — підвалини твого престолу; милість і правда йдуть перед лицем твоїм.
15Gelukkig het volk, dat nog jubelen kan, En wandelen in het licht van uw aanschijn, o Jahweh;
15Щасливий нарід, що розуміє голос твій торжествуючий! Господи, при сьвітлї лиця твого вони ходити будуть.
16Dat zich altijd verheugt in uw Naam, En in uw gerechtigheid roemt.
16Твоїм імям радуються цїлий день, і справедливостю твоєю будуть возвисшені.
17Want Gij zijt onze heerlijke schutse, Door uw goedheid heft onze hoorn zich omhoog:
17Ти бо єси окраса сили їх, і благоволеннєм твоїм піднесеться ріг наш;
18Want Jahweh is ons tot schild, Israëls Heilige tot Koning!
18Бо Господь щит наш, і сьвятий Ізраїля царь наш.
19Eens hebt Gij in visioenen gesproken, En tot uw getrouwe gezegd: Ik heb een dapperen strijder gekroond, Hoog verheven een jongeman uit het volk.
19Тодї говорив ти у видїнню про твого праведника і сказав: Положив я поміч на потужного, я вивисшив вибранця з народу.
20Ik heb David, mijn dienaar, gevonden, Hem met mijn heilige olie gezalfd;
20Знайшов Давида, слугу мого, сьвятим миром моїм помазав його.
21Mijn hand houdt hem vast, En mijn arm zal hem stutten!
21З ним буде кріпко рука моя, і рамя моє дасть йому силу.
22Geen vijand zal hem bespringen, Geen booswicht benauwen;
22Не подужає його ворог, і син несправедливостї не буде гнобити його;
23Ik leg zijn vijanden voor hem neer, En sla zijn haters tegen de grond.
23Я розітру перед очима його напасників, і поражу ненависників його.
24Mijn trouw en genade zullen hem steeds vergezellen, Door mijn Naam zal zijn hoorn zich verheffen;
24А моя вірність і моя милість буде з ним, і моїм імям буде возвисшений ріг його.
25Ik leg zijn hand op de zee, Zijn rechter op de rivieren.
25Положу руку його на море, а правицю його на ріки.
26Hij mag tot Mij roepen: Mijn Vader zijt Gij, Mijn God en de Rots van mijn heil;
26Він буде звати мене: Ти єси батько мій, Бог мій і скеля спасення мого!
27En Ik zal hem tot eerstgeborene verheffen, Hoog boven de koningen der aarde.
27І зроблю його первородним, найвисшим над царями землї.
28Eeuwig zal Ik hem mijn genade behouden, Onverbreekbaar zal mijn verbond met hem zijn:
28По віки сохраню милість мою до него, і заповіт мій з ним не зміниться.
29Ik zal zijn geslacht laten duren voor eeuwig, Zijn troon als de dagen des hemels!
29І посаджу насїннє його на віки, і престіл його, як днї небесні.
30En mochten zijn zonen mijn wet verzaken, En niet wandelen naar mijn geboden,
30Коли сини покинуть закон мій, і не будуть ходити в присудах моїх,
31Mijn voorschriften schenden, Mijn bevel overtreden:
31Коли осквернять установи мої, і заповідї мої не будуть хоронити,
32Dan zal Ik wel met de roede hun misdaad bestraffen, En met slagen hun schuld,
32То жезлом покараю переступи їх, і ударами несправедливість їх,
33Maar hèm zal Ik mijn gunst niet onthouden, En mijn trouw niet verloochenen.
33Але милостї моєї, не одійму від його, і не кину вірностї моєї.
34Mijn verbond zal Ik nimmer verbreken, Nooit veranderen wat Ik eens heb gezegd;
34Не зневажу заповіту мого і не зміню, що вийшло з уст моїх.
35Bij mijn heiligheid heb Ik het eens en voor altijd gezworen, En nooit breek Ik David mijn woord!
35Один раз поклявся я сьвятостю моєю: Не злукавлю перед Давидом!
36Zijn geslacht zal eeuwig bestaan, En zijn troon als de zon voor mijn aanschijn;
36Насїннє його буде по віки, і престіл його, як сонце передо мною;
37Als de maan, die stand houdt voor eeuwig, En trouw in de wolken blijft staan.
37Як місяць, так буде він стояти вічно, а сьвідок на облаках вірний.
38En nu hebt Gij toch uw Gezalfde versmaad en verstoten, Tegen hem uw gramschap ontstoken;
38Тепер же ти відкинув і відрікся, розгнївився вельми на помазанця твого;
39Het verbond met uw dienaar verbroken, Zijn kroon vertrapt op de grond.
39Ти відкинув заповіт слуги твого, зневажив до землї корону його.
40Al zijn wallen hebt Gij geslecht, Zijn vestingen in puin gelegd;
40Розвалив усї мури його, обернув в руїну оружні його замки.
41Iedereen plundert hem, die er voorbij gaat, En zijn buren spotten met hem.
41Рабують його всї, котрих дорога сюди попаде; сьміховиском стався сусїдам своїм.
42Gij hebt de rechterhand van zijn verdrukkers verhoogd, En al zijn vijanden van blijdschap doen juichen,
42Ти піднїс правицю напасників його; обрадував всїх ворогів його.
43Doen wijken de kling van zijn zwaard, Hem geen stand doen houden in de strijd.
43Гострого меча його ти на бік одводив, і не дав йому подужати в бою.
44Gij hebt hem van zijn glorie beroofd, Zijn troon ter aarde geworpen;
44Ти знищив славу його, і повалив на землю престіл його.
45De dagen verkort van zijn jeugdige kracht, En hem met schande bedekt.
45Ти убавив йому віку молодого, соромом окрив його.
46Hoe lang nog, Jahweh, zult Gij U maar altijd verbergen, En zal uw gramschap laaien als vuur?
46Доки, Господи, будеш все ховатись, буде огнем палати ярість твоя?
47Bedenk toch, wat het leven is, Hoe vergankelijk Gij den mens hebt gemaakt.
47Згадай що до мене, яке життє моє! Хиба на суєту мізерну сотворив ти всїх дїтей людських?
48Waar leeft de man, die de dood niet zal zien, Zijn leven kan redden uit de klauw van het graf?
48Котрий чоловік жиє і не побачить смертї, визволить душу свою від сирої землї?
49Heer, waar zijn dan uw vroegere gunsten gebleven, Die Gij David bij uw trouw hadt bezworen?
49Господи, де твої давні милостї, про які ти вірностю перед Давидом клявся?
50Ach Heer, gedenk toch de smaad van uw dienaar, De hoon der volken, die ik in mijn boezem verkrop,
50Згадай, Господи, наругу слуг твоїх, що ношу в серцї моїм від усїх тих багато народів;
51Waarmee uw vijanden schimpen, o Jahweh, En uw Gezalfde tergen bij iedere stap!
51Від ворогів твоїх, Господи, що соромили слїди помазанця твого. Благословен Господь по віки! Амінь, нехай так буде, амінь!
52Gezegend zij Jahweh in eeuwigheid; Amen, Amen!
no verse 52 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.