Psalmen 140
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Red mij, Jahweh, uit de macht van de bozen, Behoed mij voor den man van geweld:
1Проводиреві хора; псальма Давидова. Визволи мене, Господи, від лихих людей! Від чоловіка насильного, заступи мене!
2Die kwaad verzinnen in hun hart, Dag in, dag uit blijven twisten;
2Котрі злобу в серцї замишляють, що дня до бою збираються.
3Die scherpe tongen hebben als slangen, En adderengif op hun lippen.
3Гострять язик свій, як у змія; їдь гадюча в устах їх.
4Bescherm mij, Jahweh, tegen de macht van den boze, Behoed mij voor den man van geweld, Die mij de voet trachten te lichten,
4Сохрани мене, Господи, від рук беззаконного, від чоловіка насильного заступи мене, котрі задумали спинити кроки мої.
5Mij klemmen en strikken durven leggen, Netten spannen langs mijn weg, En een val voor mij zetten.
5Горді тайно заставили на мене сїла і посторонки, розіпняли сїтку при дорозї, западню приготовили для мене.
6Ik zeg tot Jahweh: Gij zijt mijn God, Hoor naar mijn smeken, o Jahweh!
6Сказав я до Господа: ти Бог мій! Почуй, Господи, благаннє моє!
7Jahweh, mijn Heer, Gij zijt mijn machtige Helper, Gij beschut mijn hoofd op de dag van de strijd.
7Господь — Владика мій, твердиня снасення мого; ти покрив голову мою в день бою.
8Jahweh, laat de opzet der bozen niet slagen, Hun aanslag niet lukken.
8Не дай, Господи, напасникові оскому зігнати, не пособи задумам його! Не дай вознестись їм.
9Laat mijn belagers hun hoofd niet verheffen, Maar de vloek van hun eigen lippen ze treffen;
9Отрута окружаючих мене, зараза з уст їх нехай на них самих спаде.
10Laat het vurige kolen op hen regenen, In kuilen hen vallen, waaruit ze niet opstaan.
10Нехай посиплеться на них горюче угля! Нехай Бог кине їх в огонь, у вир, щоб не спаслися!
11Moge de kwaadspreker geen voorspoed genieten op aarde, Maar onheil den geweldenaar meedogenloos vervolgen!
11Чоловіку злорічивому, щоб не було життя йому на землї; чоловіка насильного, щоб злоба у пропасть його загнала.
12Ik weet, dat Jahweh den ongelukkige recht zal verschaffen, En gerechtigheid aan de armen;
12Я знаю, що Господь явить правосуддє пригнобленим, справедливість бідним.
13Dan zullen de vromen uw Naam verheerlijken, De deugdzamen voor uw aangezicht wonen!
13І будуть праведні імя твоє прославляти, щирі серцем лице твоє оглядати.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.