Psalmen 56
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “Een duif van ver verwijderde terebinten.” Een puntdicht van David, toen de Filistijnen hem in Gat gevangen hielden. Ontferm U mijner, o God; want de mensen grijpen mij aan, Bekampen en kwellen mij iedere dag;
1Проводиреві хора: після „Голубка з далеких дубравин‟; памятна пісня Давидова, як Филистії зловили його в Гетї. Помилуй мене, Боже, бо розлютився на мене чоловік; день в день нападає на мене, і доскуляє менї.
2Mijn vijanden bestoken mij altijd door, Want talrijk zijn mijn belagers.
2Вороги мої цїлий день лютують; багато бо їх наступає на мене, розбуявшись.
3Maar verre van mij, dat ik ooit zou vrezen; Op U heb ik mijn vertrouwen gesteld.
3В день страху мого я вповаю на тебе!
4In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
4Ради Бога хвалити му слово його: на Бога вповаю, не побоюся; що заподїє менї тїло?
5Ze blijven mij krenken, altijd door, Tegen mij zijn al hun boze plannen gericht;
5Цїлий день зневажають вони слова мої, всї думки їх на зло проти мене.
6Ze loeren en spieden, en belagen mijn hielen, Omdat ze mij naar het leven staan.
6Збираються, ховаються, мої пяти назирають, бо засїли на душу мою.
7Vergeld ze hun misdaad, En werp in uw toorn de volkeren neer, o mijn God! In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
7Хиба в беззаконню спастись їм? Відкинь, Боже, у гнїві народи!
8Gij hebt mijn ellende geteld, Mijn tranen in uw kruik verzameld. Hebt Gij het zelf niet beloofd,
8Блуканнє моє залїчене в тебе. Збери сльози мої в посудину твою; чи не записані вони в тебе?
9Dat mijn vijand zal vluchten, als ik U aanroep? Zo weet ik zeker, Dat God met mij is!
9Тодї відступлять вороги мої, в день, коли я покличу; знаю се, що Бог зо мною.
10In Jahweh’s belofte kan ik jubelen;
10В Бозї восхвалю слово, в Господї восхвалю слово.
11Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
11На Бога вповаю, не побоюся; що заподїє менї чоловік?
12O God, Gij hebt mij uw belofte gehouden, Ik breng U daarvoor mijn dank;
12Зо мною, Боже, обіти слюбовані перед тобою, віддам хвалу тобі.
13Want Gij hebt mijn ziel behoed voor de dood, Zelfs mijn voet voor het stoten: Opdat ik voor Gods aanschijn blijf wandelen In het licht van het leven. In Jahweh’s belofte kan ik jubelen; Op God vertrouw ik, zonder te vrezen! Wat kunnen de mensen mij doen?
13Ти бо збавив душу мою від смертї. Чи не спасеш і ніг моїх від спотикання, щоб ходити менї перед Богом в сьвітлї життя сього?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.