Psalmen 69
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “De leliën.” Van David. Red mij, o God! Want het water staat aan mijn lippen;
1Проводиреві хора: На Шошанїм. Давидова. Спаси мене, Боже, бо повідь займає душу мою!
2Ik zink in een modderpoel weg, En voel geen grond meer onder de voeten; Ik ben in peilloze wateren geraakt, En de stroom sleurt mij mee.
2Загруз я в глибокому болотї і нема в йому дна; попав на глибину, і бистрінь заливає мене.
3Ik ben afgemat van mijn schreien en schor is mijn keel; Mijn ogen staan mat van het staren naar God.
3Я знемігся від поклику, гортань моя висохла; втомились очі мої, визираючи Бога мого.
4Talrijker dan de haren op mijn hoofd, zijn zij, die mij onverdiend haten. Talrijker dan mijn beenderen, die mij bestrijden zonder enige grond; En wat ik niet heb geroofd, Vordert men nog van mij terug.
4Більше ненавидящих мене безвинно, як волосся на голові в мене; потужні мої губителї, що без причини ворогують на мене; чого я не загарбав, те мусїв я дати.
5Gij zoudt het weten, o God, als ik iets dwaas had gedaan, En als ik schuld had, was het U niet verborgen!
5Ти, Боже знаєш мій нерозум, і провини мої не закриті перед тобою.
6Laat dus in mij niet worden beschaamd, Die op U hopen, Heer, Jahweh der heirscharen; In mij niet te schande worden, Die U zoeken, Israëls God!
6Не дай же через мене осоромитись тим, що вповають на тебе, Господи, Боже сил небесних! Не дай осоромитись через мене тим, що шукають тебе, Боже Ізраїля!
7Neen, om Uwentwil moet ik schande verduren, En bedekt het schaamrood mijn gelaat!
7Бо за тебе терплю зневагу, і сором покрив лице моє!
8Ik ben een vreemdeling voor mijn broeders geworden, Een onbekende voor de zonen mijner moeder:
8Чужим став я братам моїм, і чужинцем синам матері моєї.
9Want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd, Op mij valt de smaad van hen, die U smaden.
9Бо ревність для дому твого ізсушила мене, і зневага тих, що тебе зневажають, впала на мене.
10Als ik ween, en mij door vasten kastijd, Wordt het mij tot schande gerekend;
10Коли я плакав і душа віддалась посту, то й те було менї в наругу.
11Trek ik het boetekleed aan, Men gaat er mee spotten;
11Надїв я волосїнницю, і стався їм приповідкою.
12Die in de poort zitten, praten over mij, En de slempers maken er liedjes op.
12Сидячі у воротах мають помовку про мене; складають піснї на підпитку.
13Maar tot U richt ik mijn bede, o Jahweh, In de tijd der genade, o God. Verhoor mij om uw grote ontferming, En om de trouw van uw hulp;
13Я ж, Господи, — молитва моя до тебе, в час благоволення твого. Боже, по великостї милосердя твого вислухай мене, по правдї спасення твого!
14Red mij uit de modderpoel en laat mij er niet in verzinken; Verlos mij, en trek mij uit de diepe wateren omhoog!
14Витягни мене з болота, не дай менї потонути! Дай менї вирятуватись від ненавидників моїх, і з глибинї вод.
15Laat de watervloed mij niet overstelpen, de kolken verzwelgen, De afgrond zijn mond niet boven mij sluiten.
15Бистрінь водяна нехай не затопить мене, і глибінь не проковтне мене, й яма роззявлена нехай не затулить челюстей своїх.
16Red mij, Jahweh, naar de goedertierenheid uwer genade, En zie op mij neer naar uw grote ontferming;
16Вислухай мене, Господи, велика бо твоя милість; поглянь на мене по великостї милосердя твого.
17Verberg uw aanschijn niet voor uw dienaar, Verhoor mij spoedig, want het is mij bang om het hart!
17І не одвертай лиця твого від слуги твого, я бо в тїснотї; вислухай мене скоро!
18Wees mij nabij, en kom mij te hulp, Verlos mij om wille van mijn vijand!
18Приближися до душі моєї, вирятуй її; спаси її задля ворогів моїх!
19Gij kent toch mijn smaad, mijn schaamte en schande, En al mijn verdrukkers staan U voor ogen;
19Ти знаєш мою наругу, і зневагу мою, і сором мій; всї гнобителї мої перед тобою.
20Gij weet, hoe de smaad mij het hart heeft gebroken, En hoe vertwijfeld ik ben. Ik wachtte op een, die medelijden had, maar er was er geen, Op troosters, maar ik vond ze niet.
20Від наруги серце мов розбилось, я став вельми нужденний; ждав я милосердя, не дождався, і потїшителїв, та не знайшов нїкого.
21Ze gaven mij gal in plaats van spijs, En lesten mijn dorst met azijn.
21До страви моєї вкинули вони жовч, а прагнущого оцтом мене напували.
22Hun tafel worde hun tot een val, Hun offergelagen een strik;
22Стіл їх нехай буде сїттю перед ними, і що на благо людям, нехай на петлю їм обернеться.
23Laat hun ogen worden beneveld, zodat ze niet zien, En ontwricht hun lenden voor immer;
23Нехай в очах їм почорнїє, щоб не бачили сьвіта, і литки їх нехай їм завсїди трясуться.
24Stort uw gramschap over hen uit, Uw woede moge hen treffen!
24Висип на них ярость твою, і поломя гнїву твого нехай обгорне їх!
25Laat hun kamp tot steppe worden, En niemand hun tenten bewonen.
25Спустошеннє нехай спаде на оселю їх; в наметах їх щоб не осталось нї одного живого!
26Neen, ze vervolgden nog, dien Gij hadt geslagen, En vergrootten de smarten van die door U was gewond;
26Вони бо знущаються над тим, кого ти покарав, втїшаються болями ранених твоїх.
27Stapel de ene schuld op de andere, Zodat ze niet tot uw gerechtigheid komen;
27Полїчи їм неправду їх до неправди, і не дай їм увійти в правду твою.
28Laat ze uit het boek des levens worden geschrapt, Niet worden opgeschreven met de rechtvaardigen.
28Нехай вичеркнуться з книги живих, і не будуть записані вкупі з праведними!
29Maar hoe ook geplaagd en bedroefd, Uw hulp, o God, zal mij redden!
29Я ж бідний і горе менї; спасеннє твоє, Боже, нехай вислобонить мене!
30Dan zal ik de Naam van God in liederen prijzen, En Hem loven en danken!
30Буду прославляти імя Боже піснями, величати його хвалою.
31Dit zal Jahweh meer aangenaam zijn dan stieren, Meer dan varren met horens en hoeven.
31Буде се любійше Господеві над бики, над теля рогате з росколеними ратицями.
32Verheugt u, ongelukkigen, wanneer gij dit ziet; Zoekt naar God, en uw hart leeft weer op.
32Побачать впокорені, вони звеселяться; ви, що шукаєте Бога, нехай оживе серце ваше!
33Want Jahweh hoort de behoeftigen aan, En versmaadt de geknevelden niet.
33Господь бо слухає бідних, і не одвертаєсь від попавших в неволю.
34Hemel en aarde moeten Hem loven, De zeeën, met wat er in leeft!
34Да восхвалять його небеса і земля, моря і все, що там живе-кишить.
35Want God zal Sion verlossen, En de steden van Juda herbouwen. Men zal daarin terugkeren, En ze bezetten;
35Бог бо спасе Сиона, і збудує городи Юдейські; і мати муть там оселю і займаньщину.
36Het geslacht van zijn dienaars zal ze erven, En wie zijn Naam liefheeft, daar wonen!
36І потомство слуг його мати ме наслїддє; і хто любить імя його, жити ме там.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.