Psalmen 69
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Korean Bible, 1910 (한국어 성경)
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “De leliën.” Van David. Red mij, o God! Want het water staat aan mijn lippen;
1(다윗의 시. 영장으로 소산님에 맞춘 노래) 하나님이여, 나를 구원하소서 물들이 내 영혼까지 흘러들어 왔나이다
2Ik zink in een modderpoel weg, En voel geen grond meer onder de voeten; Ik ben in peilloze wateren geraakt, En de stroom sleurt mij mee.
2내가 설 곳이 없는 깊은 수렁에 빠지며 깊은 물에 들어가니 큰 물이 내게 넘치나이다
3Ik ben afgemat van mijn schreien en schor is mijn keel; Mijn ogen staan mat van het staren naar God.
3내가 부르짖음으로 피곤하여 내 목이 마르며 내 하나님을 바람으로 내 눈이 쇠하였나이다
4Talrijker dan de haren op mijn hoofd, zijn zij, die mij onverdiend haten. Talrijker dan mijn beenderen, die mij bestrijden zonder enige grond; En wat ik niet heb geroofd, Vordert men nog van mij terug.
4무고히 나를 미워하는 자가 내 머리털보다 많고 무리히 내 원수가 되어 나를 끊으려 하는 자가 강하였으니 내가 취치 아니한 것도 물어 주게 되었나이다
5Gij zoudt het weten, o God, als ik iets dwaas had gedaan, En als ik schuld had, was het U niet verborgen!
5하나님이여, 나의 우매함을 아시오니 내 죄가 주의 앞에서 숨김이 없나이다
6Laat dus in mij niet worden beschaamd, Die op U hopen, Heer, Jahweh der heirscharen; In mij niet te schande worden, Die U zoeken, Israëls God!
6만군의 주 여호와여, 주를 바라는 자로 나를 인하여 수치를 당케 마옵소서 이스라엘의 하나님이여 주를 찾는 자로 나를 인하여 욕을 당케 마옵소서
7Neen, om Uwentwil moet ik schande verduren, En bedekt het schaamrood mijn gelaat!
7내가 주를 위하여 훼방을 받았사오니 수치가 내 얼굴에 덮였나이다
8Ik ben een vreemdeling voor mijn broeders geworden, Een onbekende voor de zonen mijner moeder:
8내가 내 형제에게는 객이 되고 내 모친의 자녀에게는 외인이 되었나이다
9Want de ijver voor uw huis heeft mij verteerd, Op mij valt de smaad van hen, die U smaden.
9주의 집을 위하는 열성이 나를 삼키고 주를 훼방하는 훼방이 내게 미쳤나이다
10Als ik ween, en mij door vasten kastijd, Wordt het mij tot schande gerekend;
10내가 곡하고 금식함으로 내 영혼을 경계하였더니 그것이 도리어 나의 욕이 되었으며
11Trek ik het boetekleed aan, Men gaat er mee spotten;
11내가 굵은 베로 내 옷을 삼았더니 내가 저희의 말거리가 되었나이다
12Die in de poort zitten, praten over mij, En de slempers maken er liedjes op.
12성문에 앉은 자가 나를 말하며 취한 무리가 나를 가져 노래 하나이다
13Maar tot U richt ik mijn bede, o Jahweh, In de tijd der genade, o God. Verhoor mij om uw grote ontferming, En om de trouw van uw hulp;
13여호와여, 열납하시는 때에 나는 주께 기도하오니 하나님이여, 많은 인자와 구원의 진리로 내게 응답하소서
14Red mij uit de modderpoel en laat mij er niet in verzinken; Verlos mij, en trek mij uit de diepe wateren omhoog!
14나를 수렁에서 건지사 빠지지 말게 하시고 나를 미워하는 자에게서와 깊은 물에서 건지소서
15Laat de watervloed mij niet overstelpen, de kolken verzwelgen, De afgrond zijn mond niet boven mij sluiten.
15큰 물이 나를 엄몰하거나 깊음이 나를 삼키지 못하게 하시며 웅덩이로 내 위에 그 입을 닫지 못하게 하소서
16Red mij, Jahweh, naar de goedertierenheid uwer genade, En zie op mij neer naar uw grote ontferming;
16여호와여, 주의 인자하심이 선하시오니 내게 응답하시며 주의 많은 긍휼을 따라 내게로 돌이키소서
17Verberg uw aanschijn niet voor uw dienaar, Verhoor mij spoedig, want het is mij bang om het hart!
17주의 얼굴을 주의 종에게서 숨기지 마소서 내가 환난 중에 있사오니 속히 내게 응답하소서
18Wees mij nabij, en kom mij te hulp, Verlos mij om wille van mijn vijand!
18내 영혼에게 가까이 하사 구속하시며 내 원수를 인하여 나를 속량 하소서
19Gij kent toch mijn smaad, mijn schaamte en schande, En al mijn verdrukkers staan U voor ogen;
19주께서 나의 훼방과 수치와 능욕을 아시나이다 내 대적이 다 주의 앞에 있나이다
20Gij weet, hoe de smaad mij het hart heeft gebroken, En hoe vertwijfeld ik ben. Ik wachtte op een, die medelijden had, maar er was er geen, Op troosters, maar ik vond ze niet.
20훼방이 내 마음을 상하여 근심이 충만하니 긍휼히 여길 자를 바라나 없고 안위할 자를 바라나 찾지 못하였나이다
21Ze gaven mij gal in plaats van spijs, En lesten mijn dorst met azijn.
21저희가 쓸개를 나의 식물로 주며 갈할 때에 초로 마시웠사오니
22Hun tafel worde hun tot een val, Hun offergelagen een strik;
22저희 앞에 밥상이 올무가 되게 하시며 저희 평안이 덫이 되게 하소서
23Laat hun ogen worden beneveld, zodat ze niet zien, En ontwricht hun lenden voor immer;
23저희 눈이 어두워 보지 못하게 하시며 그 허리가 항상 떨리게 하소서
24Stort uw gramschap over hen uit, Uw woede moge hen treffen!
24주의 분노를 저희 위에 부으시며 주의 맹렬하신 노로 저희에게 미치게 하소서
25Laat hun kamp tot steppe worden, En niemand hun tenten bewonen.
25저희 거처로 황폐하게 하시며 그 장막에 거하는 자가 없게 하소서
26Neen, ze vervolgden nog, dien Gij hadt geslagen, En vergrootten de smarten van die door U was gewond;
26대저 저희가 주의 치신 자를 핍박하며 주께서 상케 하신 자의 슬픔을 말하였사오니
27Stapel de ene schuld op de andere, Zodat ze niet tot uw gerechtigheid komen;
27저희 죄악에 죄악을 더 정하사 주의 의에 들어오지 못하게 하소서
28Laat ze uit het boek des levens worden geschrapt, Niet worden opgeschreven met de rechtvaardigen.
28저희를 생명책에서 도말하사 의인과 함께 기록되게 마소서
29Maar hoe ook geplaagd en bedroefd, Uw hulp, o God, zal mij redden!
29오직 나는 가난하고 슬프오니 하나님이여, 주의 구원으로 나를 높이소서
30Dan zal ik de Naam van God in liederen prijzen, En Hem loven en danken!
30내가 노래로 하나님의 이름을 찬송하며 감사함으로 하나님을 광대하시다 하리니
31Dit zal Jahweh meer aangenaam zijn dan stieren, Meer dan varren met horens en hoeven.
31이것이 소 곧 뿔과 굽이 있는 황소를 드림보다 여호와를 더욱 기쁘시게 함이 될 것이라
32Verheugt u, ongelukkigen, wanneer gij dit ziet; Zoekt naar God, en uw hart leeft weer op.
32온유한 자가 이를 보고 기뻐하나니 하나님을 찾는 너희들아 ! 너희 마음을 소생케 할지어다
33Want Jahweh hoort de behoeftigen aan, En versmaadt de geknevelden niet.
33여호와는 궁핍한 자를 들으시며 자기를 인하여 수금된 자를 멸시치 아니하시나니
34Hemel en aarde moeten Hem loven, De zeeën, met wat er in leeft!
34천지가 그를 찬송할 것이요 바다와 그 중의 모든 동물도 그리할지로다
35Want God zal Sion verlossen, En de steden van Juda herbouwen. Men zal daarin terugkeren, En ze bezetten;
35하나님이 시온을 구원하시고 유다 성읍들을 건설하시리니 무리가 거기 거하여 소유를 삼으리로다
36Het geslacht van zijn dienaars zal ze erven, En wie zijn Naam liefheeft, daar wonen!
36그 종들의 후손이 또한 이를 상속하고 그 이름을 사랑하는 자가 그 중에 거하리로다
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.