Psalmen 135
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Halleluja! Looft Jahweh’s Naam, Looft Hem, dienaars van Jahweh:
1Аллилуя. Хвалїте імя Господа! Хвалїте його, слуги Господнї!
2Gij, die in het huis van Jahweh staat, In de voorhoven van het huis van onzen God!
2Що стоїте в домі Господньому, у дворах дому Бога нашого.
3Looft Jahweh: want Jahweh is goed, Verheerlijkt zijn Naam: want die is zo lieflijk;
3Хвалїте Господа, благий бо Господь; сьпівайте псальми імени його, воно бо любе.
4Want Jahweh heeft Zich Jakob verkoren, En Israël tot zijn bezit!
4Бо Господь вибрав собі Якова, Ізраїля — як власність свою.
5Ja, ik weet het: Jahweh is groot, Onze Heer boven alle goden verheven;
5Знаю бо, що Господь великий, і Владика наш понад усїма богами.
6Jahweh doet wat Hij wil In hemel en aarde, in zeeën en diepten.
6Все, що Господеві подобається, творить він на небесах і на землї, на морях і в глибинях.
7Hij laat de wolken verrijzen Aan de kimmen der aarde; Smeedt de bliksem tot regen, Haalt de wind uit zijn schuren.
7Підносить хмари понад землю, дає дощ з блискавками, виводить вітра із сховищ його.
8Hij was het, die Egypte’s eerstgeborenen sloeg, Van mensen en vee;
8Він повбивав перворіднїв в Египтї, від чоловіка до скоту.
9Die tekenen en wonderen deed in uw midden, Egypte, Tegen Farao en al die hem dienden;
9Явив ознаки і чудеса серед тебе, Египте, над Фараоном і над всїма слугами його;
10Die talrijke volken versloeg, En machtige koningen doodde:
10Погромив великі народи, і повбивав потужних царів:
11Sichon, den vorst der Amorieten, En Og, den koning van Basjan. Hij was het, die alle vorsten vernielde En alle koninkrijken van Kanaän;
11Сигона, царя Аморійського, і Ога, царя Базанського, і всї царства Канаанські;
12En die hun land ten erfdeel gaf, Tot bezit aan Israël, zijn volk.
12І віддав землю їх в наслїддє Ізраїлю, в наслїддє народові свому.
13Uw Naam duurt eeuwig, o Jahweh, Uw roem, o Jahweh, van geslacht tot geslacht;
13Господи, імя твоє вічне; Господи, память твоя з роду в рід.
14Want Jahweh schaft recht aan zijn volk, En ontfermt Zich over zijn dienaars.
14Бо Господь зробить суд над народом своїм, і змилосердиться над своїми слугами.
15Maar de goden der volken zijn zilver en goud, Door mensenhanden gemaakt:
15Божища народів — срібло й золото, твориво рук людських.
16Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken; Ogen, maar kunnen niet zien;
16Уста мають, і не заговорять; очі мають, і не бачать;
17Oren, maar kunnen niet horen; Ze hebben geen adem in hun mond.
17Уші мають, і не чують, і в устах їх нема диху.
18Aan hen worden gelijk, die ze maken, En allen, die er op hopen!
18Рівні їм ті, що роблять їх, кожний, що на їх вповає.
19Huis van Israël, zegent dan Jahweh; Huis van Aäron, zegent dan Jahweh;
19Доме Ізраїля, прославляйте Господа! Доме Аарона, прославляйте Господа!
20Huis van Levi, zegent dan Jahweh; Die Jahweh vrezen, zegent dan Jahweh;
20Доме Левії, прославляйте Господа! Боячіся Господа, прославляйте Господа!
21Gezegend zij Jahweh uit Sion, Hij, die in Jerusalem woont!
21Да буде благословен Господь від Сиона, що живе в Єрусалимі! Аллилуя!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.