Psalmen 94
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Jahweh, wrekende God, God der wrake, treed op;
1Боже, помсти, Господи Боже, помсти, явись в сяєві твому!
2Verhef U, Rechter der aarde, Vergeld de trotsen wat ze verdienen!
2Піднесись, суддє землї, заплати розгордїяшам!
3Hoelang nog zullen de zondaars, o Jahweh, Hoelang nog zullen de boosdoeners juichen?
3Доки будуть беззаконники, Господи, доки беззаконники будуть веселитись?
4Al die booswichten pochen en snoeven, En een hoge toon slaan ze aan!
4Будуть безсоромне верзяканнє говорити, будуть вихвалюватись всї, що беззаконнє творять?
5Jahweh, ze vertrappen uw volk, En verdrukken uw erfdeel;
5Господи, нарід твій вони топчуть, і гноблять наслїддє твоє.
6Ze doden weduwen en wezen, Vermoorden die bij ons kwamen wonen.
6Вбивають удовиць і захожого, і сиріт вони мордують,
7En dan zeggen ze nog: Jahweh ziet het niet eens, De God van Jakob merkt het niet!
7І кажуть: Не побачить Господь, і не спостереже Бог Якова!
8Domme kudde, word toch verstandig; Gij dwazen, wanneer wordt gij wijs?
8Одумайтесь, нерозумні люде! І ви, безумні, — коли проясниться розум ваш?
9Zou Hij het niet horen, die het oor heeft geplant, Niet zien, die het oog heeft geschapen;
9Хто дав слух вам, той хиба не почує? Хто утворив око, той би не мав бачити?
10Zou Hij, die de volkeren tuchtigt, niet straffen, Onwetend zijn, die den mens onderricht?
10Хто карає народи, чи вже ж той не карати ме? Він, що навчає розуму чоловіка?
11Neen, Jahweh kent de gedachten der mensen, Hij weet, dat het hersenschimmen zijn.
11Бог знає думки чоловіка, що вони марні.
12Jahweh, gelukkig de man, dien Gij onderricht, En dien Gij leert uit uw wet:
12Щасливий чоловік, котрого ти, Господи, караєш, і закону твого навчаєш,
13Hoe hij gelaten moet zijn in dagen van rampspoed, Totdat voor den boze het graf is gedolven;
13Щоб дізнав супокою перед злиднями, поки викопається беззаконному яма!
14Hoe Jahweh zijn volk niet verstoot, En nooit zijn erfdeel verlaat;
14Бо Господь не кине свого народу, і не оставить свого наслїддя;
15Hoe de brave zijn recht weer verkrijgt, Alle oprechten van hart weer geluk!
15Бо до справедливостї повернеться суд, і всї щирі серцем підуть слїдом за ним.
16Wie anders neemt het voor mij tegen de boosdoeners op, Wie staat mij tegen de booswichten bij?
16Хто встане за мене проти злочинників? Хто поступиться за мене проти тих, що творять беззаконнє?
17Wanneer Jahweh mij niet te hulp was gekomen, Dan lag ik misschien al lang in het graf.
17Як би не Господь став до помочі менї, — не багацько забракло, то в мовчанню зупинила б ся душа моя.
18Maar als ik denk: nú wankelt mijn voet, Dan steunt mij uw goedheid, o Jahweh;
18Коли я сказав: Нога моя хитається, то милість твоя, Господи, піддержала мене.
19En wanneer zware zorgen mij innerlijk drukken, Dan verkwikt uw vertroosting mijn ziel.
19Як було важко менї на серцї від натовпу думок моїх, твоя потїха роскошою сповняла душу мою.
20Zoudt Gij iets gemeen hebben met de zetel van onrecht, Die onheil sticht op gezag van de wet;
20Чи може з тобою зʼєднатись престіл погибелї, що з нещастя робить закон?
21Met hen, die het leven der braven belagen, En onschuldig bloed durven straffen?
21Збігаються до купи проти душі праведного, і безвинну кров засуджують.
22Neen, voor mij is Jahweh een toevlucht, Mijn God een veilige Rots;
22Та Господь високий мій замок, і Бог мій скеля притулку мого.
23Maar hùn vergeldt Hij hun onrecht, En vernielt ze om hun boosheid: Jahweh, onze God!
23І нещастє їх він одверне на них, і злобою їх він погубить їх; знищить їх Господь, Бог наш.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.