Psalmen 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Waarom, Jahweh, zoudt Gij veraf blijven staan, U verbergen in tijden van nood?
1Чому, Господи, стоїш оддалеки, ховаєшся у час тїсноти?
2Waarom zou de arme zich ergeren aan de trots van den boze, In de listen worden verstrikt, die hij spon?
2Бутою своєю лякає безбожник бідолашного; зловляться вони у підступах, що придумали їх.
3Zie, de goddeloze pocht op zijn lusten, De woekeraar prijst zich gelukkig,
3Бо чваниться безбожник ласощами душі своєї; і благословляє чоловіка захланного, він зневажає Господа.
4De zondaar trekt honend zijn neus op voor Jahweh, En denkt maar: “Hij straft niet; er is geen God!”
4В гордостї каже безбожник: Бог не буде слїдити; в него усе думка: нема Бога!
5Zijn wandel is altijd krom uw wetten gooit hij ver van zich af, En wie hem weerstaat, fluit hij uit;
5Всякого часу стелиться йому дорога; суди твої далеко від него; всїх ворогів своїх він сьміхом збуває.
6Hij zegt bij zich zelf: “Nooit zal ik wankelen; Van geslacht tot geslacht treft mij ongeluk noch vloek!”
6Каже він в серцї своїм: не подамся; з роду в рід не буде для мене лиха.
7Zijn mond zit vol bedrog en geweld, Verderf en onheil kleven aan zijn tong.
7Уста його повні проклону, зради і знущання; під його язиком мука і погибель.
8Hij legt zich in hinderlaag achter de heggen, Om heimelijk de onschuld te moorden. Zijn ogen begluren den zwakke,
8Він ійде на засїдки край осель; у сховисках вбиває він невинного; він пасе очима за нещасним,
9Hij ligt op de loer als een leeuw in zijn hol; Hij besluipt den ongelukkige, om hem te bespringen, Grijpt hem vast, en sleept hem weg in zijn net.
9Чигає по закутках, як лев в гущавинї; чигає, щоб нужденного запопасти; хапає нещасного, й тягне в сїти свої.
10Dan slaat hij hem neer, kromt zich over hem heen, En de ongelukkige valt in zijn klauwen.
10Він припадає ниць до землї, притаюється, і нещасні гинуть від когтїв його.
11En hij zegt bij zich zelf: “God vergeet het! Hij verbergt zijn gelaat; Hij ziet het niet eens!”
11Говорить в серцї своїм: Бог забуває, закриває лице своє, не побачить нїколи!
12Sta op dan Jahweh! Steek uw hand uit, o God; Vergeet de ongelukkigen niet!
12Встань, Господи Боже, піднеси руку твою, не забудь нужденних!
13Waarom zou de booswicht God blijven honen, Bij zichzelf blijven zeggen: “Toch vergeldt Gij het niet!”
13Чому зневажає Бога безбожник, кажучи в серцї своїм: ти не будеш доходити?
14Gij ziet toch het leed en de ellende; Gij blikt er op neer, om ze te wreken! De zwakke verlaat zich op U, En een wees hebt Gij altijd geholpen!
14Ти бачив, бо ти поглядаєш на тїсноту й муку, щоб віддати рукою твоєю; на тебе вповає нещасний, ти єси поміч сиротинї.
15Verbrijzel de arm van zondaar en boze; Vergeld hem zijn misdaad, laat ze niet ongestraft.
15Переломи руку безбожникові, а за ледачими вчинками злюки слїди, аж поки вже нїчого не знайдеш.
16Jahweh, wees Koning voor eeuwig en immer; Weg met de heidenen, weg uit zijn land!
16Господь царь на віки вічні; народи щезають із землї його.
17Hoor het smachtend verlangen der armen, o Jahweh; Luister naar de roep van hun hart:
17Господи! Ти почув бажання смиренних; покріпив серце їх, і прихилив ухо твоє,
18Om recht te verschaffen aan wees en verdrukte, Zodat ze niemand ter wereld meer vrezen.
18Щоб судити правду сиротинї і пригнобленому, щоб чоловік, що із землї взявся, не лякав більше.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.