Psalmen 74
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Een leerdicht van Asaf. O God, waarom zoudt Gij ons voor altijd verstoten, Zou uw toorn blijven woeden tegen de kudde uwer weide?
1Наука Асафова. Для чого відкинув єси нас, Боже, на віки, палає гнїв твій на стадо пасовиска твого?
2Gedenk toch uw volk, dat Gij U eens hebt verworven, De stam, die Gij hebt verlost als uw erfdeel, De Sionsberg, Die Gij U tot woonplaats verkoost!
2Спогадай твою громаду, що зєднав її оддавна, — ізбавив, як твоє наслїддє, тую гору Сион, на котрій ти осївся!
3Ach, richt toch uw schreden naar de onherstelbare puinen; Heel het heiligdom is door den vijand vernield.
3Зверни стопи твої до недавньої руїни! Все у сьвятинї зруйнував ворог.
4Uw haters joelden in uw heilige tent, En hebben er hun banieren geplant.
4Рикають вороги твої серед зборів твоїх; поставили знаки свої як знамена.
5Ze hakten de friezen boven de ingangen stuk, Zoals een bijl in het kreupelhout woedt.
5Вони, як той, що сокирою замахнув в гущавинї лїса,
6Ze hebben het drijfwerk in stukken geslagen, Met bijl en houweel het vernield;
6І тепер вони топором і молотами розбивають різьбу його.
7Uw heiligdom in brand gestoken, De woonplaats van uw Naam tot de grond toe ontwijd.
7З пожаром пустили сьвятиню твою, осквернили дім імені твого.
8Ze zeiden: “Wij zullen alles verwoesten, Alle godshuizen verbranden door ‘t hele land!”
8Сказали в серцї своїм: Нуте, винищимо їх до ноги! — Пустили з димом всї Божі собори на землї.
9Wij zien geen voortekens meer, en er is geen profeet, Niemand onder ons, die kan zeggen: Hoelang nog!
9Знамен наших ми не бачимо: нема більш пророка, й нема між нами, хто б знав, доки так буде.
10Ja, hoelang nog, o God, zal de vijand U honen, De vijand maar altijd uw Naam blijven lasteren?
10Доки, Боже, буде ругатись гнобитель? Чи вічно буде ворог зневажати імя твоє?
11Waarom trekt Gij uw hand van ons terug, En houdt Gij uw rechter in uw boezem verborgen?
11Чому здержуєш руку твою і правицю твою? Із лона твого допусти конець!
12Gij zijt toch van ouds onze Koning, o God, Die op aarde altijd de zege bevocht:
12Бог царь мій з поконвіку, що дає спасеннє на землї.
13Gij hebt de zee opgezweept door uw kracht, Op het water de schedels der draken verpletterd;
13Ти роздїлив море силою твоєю, розбив голови змиїв морських.
14Gij hebt Liwjatan zijn koppen verbrijzeld, En hem een prooi der jakhalzen gemaakt.
14Ти потрощив голову левіятана, дав його на поживу людям в пустинї.
15Gij liet bronnen en beken ontspringen, Maar eeuwige stromen verdrogen.
15Ти вітворив жерела і потоки; ти висушив прудисті ріки.
16Door U kwam de dag, door U kwam de nacht, Gij hebt de maan en de zon haar plaatsen bereid.
16І день твій і ніч твоя; ти сотворив сьвітло і сонце.
17Gij hebt al de grenzen der aarde gesteld, Zomer en winter, Gij hebt ze gemaakt!
17Ти утвердив всї гряницї землї; ти постановив лїто і зиму.
18Denk aan dit alles, o Jahweh, als de vijand blijft honen, Een waanzinnig volk uw Naam blijft lasteren!
18Спогадай се: ворог поругав Господа, а народ безумний зневажив імя твоє.
19Geef, die U loven, niet prijs aan de beesten, En vergeet uw ongelukkigen niet voor altoos.
19Не попусти зьвірюцї душу горлицї твоєї, не забудь на віки громаду нужденних твоїх.
20Zie neer op uw verbond, en houd het gestand: Het rampzalige Land is een oord van verdrukking!
20Спогадай завіт! Бо темні закутки землї наповнились домівками насильства.
21Laat de vertrapte niet onverhoord gaan, Maar de verdrukte en arme uw Naam verheerlijken.
21Нехай не вернеться з соромом пригноблений! Нужденний і бідний нехай возхвалять імя твоє.
22Sta op, o God, en verdedig uw zaak, Gedenk, hoe die dwazen U steeds blijven honen;
22Встань, Боже, суди справу твою! Спогадай щоденне руганнє беззаконного!
23Vergeet het geschreeuw van uw vijanden niet, Het geloei van uw haters, dat altijd maar raast!
23Не забудь крику ворогів твоїх! Буяннє тих, що проти тебе встали, не має кінця.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.