Psalmen 83
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Een lied; een psalm van Asaf. O God, houd U niet stil, Niet rustig en werkeloos, o God!
1Пісня, псальма Асафова. Боже! Не мовчи; не нїмуй, озвися, Боже!
2Want zie, uw vijanden razen, En uw haters steken hun hoofden omhoog.
2Бо ось, вороги твої розбуялись, і ненавидники твої підносять голову.
3Ze smeden listige plannen tegen uw volk, En spannen tegen uw beschermelingen samen:
3Зрадливо змовляються проти народа твого, і нараджуються проти тих, що бережеш їх.
4“Komt, laat ons ze uitroeien uit de rij van de volken, Zodat men zelfs Israëls naam niet meer noemt!”
4Кажуть: Ходїм, знищемо їх, щоб не були вже народом, щоб нїхто не згадував більше імя Ізраїля!
5Ja, eensgezind hebben ze samengezworen, En een verbond gesloten tegen U:
5Вони бо радили раду однодушно, зробили змову проти тебе.
6De tenten van Edom en van de Jisjmaëlieten, Van Moab en de zonen van Hagar.
6Намети Едомові і Ізмаїлїї, Моаб і Агаряне,
7En Gebal, Ammon en Amalek, Filistea met de bewoners van Tyrus,
7Геваль і Аммон, і Амалик, Филистії з людьми Тирськими;
8Zelfs Assjoer sluit zich bij hen aan, En leent zijn arm aan de zonen van Lot.
8Тай Ассур пристав до них; стали рамям синам Лота.
9Doe met hen als met Midjan, Als met Sisera en Jabin bij de beek Kisjon,
9Зроби їм те, що Мидіянїям, що Сісері, що Явиму коло потока Кисона,
10Die bij En-Dor werden vernietigd, En tot mest voor het veld zijn gemaakt.
10Котрі, знищені коло Ендора, гноєм для землї стали.
11Zet het hun vorsten betaald als Oreb en Zeëb, Als Zébach en Salmoenna,
11Зроби з ними, з їх можними, як з Горебом, і з Зебом, і як з Зебаком і з Зальмуном, з усїма князями їх,
12Met al hun groten, die zeggen: Laat ons het land van God gaan bezetten!
12Котрі сказали: позаймаймо домівки Божі!
13Maak ze aan dwarrelende blaren gelijk, o mijn God, En aan kaf voor de wind!
13Боже мій, зроби їх, як порох у вихрі, як терміттє перед вітром!
14En zoals het vuur de bossen verteert, De vlammen de bergen verzengen:
14Як огонь лїси пожирає, і як поломя гори запалює,
15Zo moogt Gij hen met uw stormwind vervolgen, In verwarring brengen door uw orkaan!
15Так ти гони їх вихром твоїм і бурею-хуртовиною, злякавши, змети їх!
16Bedek met smaad hun gelaat, Opdat ze uw Naam mogen eren, o Jahweh;
16Сповни лице їх соромом, щоб шукали імені твого, Господи!
17Laat ze beschaamd staan en verbijsterd voor eeuwig, En in schande vergaan!
17Щоб осоромились і злякались на віки, і зо встидом погибли.
18Dan zullen zij weten, dat “Jahweh” uw Naam is; Dat Gij de Allerhoogste zijt op heel de aarde, Gij alleen!
18Тай щоб знали, що ти, котрого імя Господь, один єси найвисший над цїлою землею.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.