Psalmen 83
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Een lied; een psalm van Asaf. O God, houd U niet stil, Niet rustig en werkeloos, o God!
1Canción: Salmo de Asaph. OH Dios, no tengas silencio: no calles, oh Dios, ni te estés quieto.
2Want zie, uw vijanden razen, En uw haters steken hun hoofden omhoog.
2Porque he aquí que braman tus enemigos; y tus aborrecedores han alzado cabeza.
3Ze smeden listige plannen tegen uw volk, En spannen tegen uw beschermelingen samen:
3Sobre tu pueblo han consultado astuta y secretamente, y han entrado en consejo contra tus escondidos.
4“Komt, laat ons ze uitroeien uit de rij van de volken, Zodat men zelfs Israëls naam niet meer noemt!”
4Han dicho: Venid, y cortémoslos de ser pueblo, y no haya más memoria del nombre de Israel.
5Ja, eensgezind hebben ze samengezworen, En een verbond gesloten tegen U:
5Por esto han conspirado de corazón á una, contra ti han hecho liga;
6De tenten van Edom en van de Jisjmaëlieten, Van Moab en de zonen van Hagar.
6Los pabellones de los Idumeos y de los Ismaelitas, Moab y los Agarenos;
7En Gebal, Ammon en Amalek, Filistea met de bewoners van Tyrus,
7Gebal, y Ammón, y Amalec; los Filisteos con los habitadores de Tiro.
8Zelfs Assjoer sluit zich bij hen aan, En leent zijn arm aan de zonen van Lot.
8También el Assur se ha juntado con ellos: son por brazo á los hijos de Lot. (Selah.)
9Doe met hen als met Midjan, Als met Sisera en Jabin bij de beek Kisjon,
9Hazles como á Madián; como á Sísara, como á Jabín en el arroyo de Cisón;
10Die bij En-Dor werden vernietigd, En tot mest voor het veld zijn gemaakt.
10Que perecieron en Endor, fueron hechos muladar de la tierra.
11Zet het hun vorsten betaald als Oreb en Zeëb, Als Zébach en Salmoenna,
11Pon á ellos y á sus capitanes como á Oreb y como á Zeeb; y como á Zeba y como á Zalmunna, á todos sus príncipes;
12Met al hun groten, die zeggen: Laat ons het land van God gaan bezetten!
12Que han dicho: Heredemos para nosotros las moradas de Dios.
13Maak ze aan dwarrelende blaren gelijk, o mijn God, En aan kaf voor de wind!
13Dios mío, ponlos como á torbellinos; como á hojarascas delante del viento.
14En zoals het vuur de bossen verteert, De vlammen de bergen verzengen:
14Como fuego que quema el monte, como llama que abrasa las breñas.
15Zo moogt Gij hen met uw stormwind vervolgen, In verwarring brengen door uw orkaan!
15Persíguelos así con tu tempestad, y asómbralos con tu torbellino.
16Bedek met smaad hun gelaat, Opdat ze uw Naam mogen eren, o Jahweh;
16Llena sus rostros de vergüenza; y busquen tu nombre, oh Jehová.
17Laat ze beschaamd staan en verbijsterd voor eeuwig, En in schande vergaan!
17Sean afrentados y turbados para siempre; y sean deshonrados, y perezcan.
18Dan zullen zij weten, dat “Jahweh” uw Naam is; Dat Gij de Allerhoogste zijt op heel de aarde, Gij alleen!
18Y conozcan que tu nombre es JEHOVÁ; tú solo Altísimo sobre toda la tierra.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.