Psalmen 127
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Een bedevaartslied; van Salomon. Wanneer Jahweh het huis niet bouwt, Is het zwoegen der bouwlieden ijdel; Wanneer Jahweh de stad niet behoedt, Waken de wachters vergeefs.
1Cántico gradual: para Salomón. SI Jehová no edificare la casa, en vano trabajan los que la edifican: si Jehová no guardare la ciudad, en vano vela la guarda.
2Dan heeft het geen zin, vroeg op te staan, Of laat u te ruste te leggen; Gij eet dan het brood in uw zweet: Maar dien Hij liefheeft, geeft Hij het ook in de slaap.
2Por demás os es el madrugar á levantaros, el veniros tarde á reposar, el comer pan de dolores: pues que á su amado dará Dios el sueño.
3Waarachtig; zonen zijn geschenken van Jahweh, De vrucht van de schoot een beloning!
3He aquí, heredad de Jehová son los hijos: cosa de estima el fruto del vientre.
4Als pijlen in de hand van den strijder, Zijn de zonen, verwekt in de jeugd;
4Como saetas en mano del valiente, así son los hijos habidos en la juventud.
5Gelukkig de man, Die er zijn koker van vol heeft: Hij hoeft niet verlegen te staan, Als hij onder de poort met zijn vijanden twist.
5Bienaventurado el hombre que hinchió su aljaba de ellos: no será avergonzado cuando hablare con los enemigos en la puerta.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.