Psalmen
Chapter 35
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Van David. Bestrijd, o Jahweh, die mij bestrijden, Kamp tegen hen, die mij bekampen!
1Salmo de David. DISPUTA, oh Jehová, con los que contra mí contienden; pelea con los que me combaten.
2Grijp schild en beukelaar, Sta op, mij te hulp;
2Echa mano al escudo y al pavés, y levántate en mi ayuda.
3Trek speer en strijdbijl tegen mijn vervolgers, Zeg tot mijn ziel: “Uw redding ben Ik!”
3Y saca la lanza, cierra contra mis perseguidores; di á mi alma: Yo soy tu salud.
4Laat smaad en schande hen treffen, die mijn leven belagen, Vol schaamte vluchten, die boze plannen tegen mij smeden.
4Avergüéncense y confúndanse los que buscan mi alma: vuelvan atrás, y sean avergonzados los que mi mal intentan.
5Ze mogen worden als kaf voor de wind, Wanneer de Engel van Jahweh ze opjaagt;
5Sean como el tamo delante del viento; y el ángel de Jehová los acose.
6Hun weg zij donker en glad, Wanneer de Engel van Jahweh ze nazet.
6Sea su camino oscuridad y resbaladeros; y el ángel de Jehová los persiga.
7Want zonder reden hebben ze mij hun netten gespannen, Zonder aanleiding een kuil mij gegraven.
7Porque sin causa escondieron para mí su red en un hoyo; sin causa hicieron hoyo para mi alma.
8Moge hem de ondergang treffen, Eer hij het weet; Laat het net, dat hij spande, hem vangen, Laat hem vallen in zijn eigen kuil!
8Véngale el quebrantamiento que no sepa, y su red que escondió lo prenda: con quebrantamiento en ella caiga.
9Dan zal mijn ziel in Jahweh juichen, Zich over mijn redding verheugen;
9Y gócese mi alma en Jehová; y alégrese en su salud.
10En heel mijn gebeente zal zeggen: “Jahweh, wie is U gelijk? Gij beschermt den zwakke tegen den sterke, Den zwakke en arme tegen zijn berovers!”
10Todos mis huesos dirán: Jehová, ¿quién como tú, que libras al afligido del más fuerte que él, y al pobre y menesteroso del que le despoja?
11Ze staan tegen mij op Als valse getuigen; En wat ik mij niet ben bewust, Brengen ze tegen mij in.
11Levantáronse testigos falsos; demandáronme lo que no sabía;
12Goed met kwaad vergelden ze mij, En leggen het op mijn leven aan.
12Volviéronme mal por bien, para abatir á mi alma.
13En toch, toen zìj ziek lagen, Trok ik het boetekleed aan, Putte mij door vasten uit, En het gebed was niet weg uit mijn hart;
13Mas yo, cuando ellos enfermaron, me vestí de saco; afligí con ayuno mi alma, y mi oración se revolvía en mi seno.
14Ik liep rond, als gold het mijn broer of mijn vriend, Onder droefheid gebukt, als in rouw voor mijn moeder.
14Como por mi compañero, como por mi hermano andaba; como el que trae luto por madre, enlutado me humillaba.
15Maar nu ik zelf dreig te vallen, worden ze vrolijk, Lopen te hoop en scholen tegen mij samen; Als vreemden, die ik niet ken, Gaan ze tegen mij schelden,
15Pero ellos se alegraron en mi adversidad, y se juntaron; juntáronse contra mí gentes despreciables, y yo no lo entendía: despedazábanme, y no cesaban;
16Honen mij met bittere spot, En knarsetanden tegen mij.
16Con los lisonjeros escarnecedores truhanes, crujiendo sobre mí sus dientes.
17Hoe lang nog, o Heer, Zult Gij dit aanzien? Verlos mij toch van hun brullen, Het enige, dat mij nog rest, uit de macht van de leeuwen!
17Señor, ¿hasta cuándo verás esto ? Recobra mi alma de sus quebrantamientos, mi única de los leones.
18Dan zal ik U loven in de grote gemeente, Voor een talloze schare U prijzen.
18Te confesaré en grande congregación; te alabaré entre numeroso pueblo.
19Laat toch mijn valse vijand niet om mij lachen, Geen knipoogjes geven, die mij onverdiend haten.
19No se alegren de mí mis enemigos injustos: ni los que me aborrecen sin causa hagan del ojo.
20Want nooit spreken ze woorden van vrede, Doch verzinnen maar leugens tegen het vreedzame volk;
20Porque no hablan paz; y contra los mansos de la tierra piensan palabras engañosas.
21Ze zetten een grote mond tegen mij op, En zeggen: Ha, ha! We hebben het met eigen ogen gezien!
21Y ensancharon sobre mí su boca; dijeron: ¡Ea, ea, nuestros ojos lo han visto!
22Jahweh! Gìj hebt het gezien; blijf niet zwijgen! Heer; houd U niet verre van mij!
22Tú lo has visto, oh Jehová; no calles: Señor, de mí no te alejes.
23Ontwaak en sta op, om mij recht te verschaffen, Om mij te verdedigen, mijn God en mijn Heer.
23Muévete y despierta para mi juicio, para mi causa, Dios mío y Señor mío.
24Schaf mij recht naar uw gerechtigheid, Jahweh, mijn God; Laat ze niet over mij juichen.
24Júzgame conforme á tu justicia, Jehová Dios mío; y no se alegren de mí.
25Laat ze niet denken: “Ha, nu zijn wij tevreden!” Niet zeggen: “We hebben hem onder de voet!”
25No digan en su corazón: ¡Ea, alma nuestra! No digan: ¡Hémoslo devorado!
26Neen, laat ze allen blozen van schaamte, Die zich vrolijk maken over mijn ongeluk; Met smaad en schande worden bedekt, Die een hoge toon tegen mij aanslaan.
26Avergüéncense, y sean confundidos á una los que de mi mal se alegran: vístanse de vergüenza y de confusión los que se engrandecen contra mí.
27Maar mogen juichen en jubelen Die van mijn goed recht zijn doordrongen; Zonder ophouden zeggen: “Jahweh is groot, Die enkel het heil van zijn dienaar beoogt!”
27Canten y alégrense los que están á favor de mi justa causa, y digan siempre: Sea ensalzado Jehová, que ama la paz de su siervo.
28Dan zal mijn tong uw gerechtigheid prijzen, En elke dag uw lof verbreiden.
28Y mi lengua hablará de tu justicia, y de tu loor todo el día.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.