Psalmen 131
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Een bedevaartslied. Van David. Jahweh, mijn hart is niet trots, Niet hovaardig mijn ogen; Ik houd mij niet op met geweldige plannen, Met dingen, die te hoog voor mij zijn.
1Cántico gradual: de David. JEHOVÁ, no se ha envanecido mi corazón, ni mis ojos se enaltecieron; ni anduve en grandezas, ni en cosas para mí demasiado sublimes.
2Neen, ik voel mij zo klein, En beeld mij niets in; Zoals de zuigeling aan de borst van zijn moeder, Ben ik een kindje voor U.
2En verdad que me he comportado y he acallado mi alma, como un niño destetado de su madre: como un niño destetado está mi alma.
3Israël, stel uw hoop op Jahweh, Van nu af tot in eeuwigheid!
3Espera, oh Israel, en Jehová desde ahora y para siempre.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.