Psalmen
Chapter 10
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Waarom, Jahweh, zoudt Gij veraf blijven staan, U verbergen in tijden van nood?
1¿POR qué estás lejos, oh Jehová, y te escondes en el tiempo de la tribulación?
2Waarom zou de arme zich ergeren aan de trots van den boze, In de listen worden verstrikt, die hij spon?
2Con arrogancia el malo persigue al pobre: serán cogidos en los artificios que han ideado.
3Zie, de goddeloze pocht op zijn lusten, De woekeraar prijst zich gelukkig,
3Por cuanto se alaba el malo del deseo de su alma, y bendice al codicioso, á quien Jehová aborrece.
4De zondaar trekt honend zijn neus op voor Jahweh, En denkt maar: “Hij straft niet; er is geen God!”
4El malo, por la altivez de su rostro, no busca á Dios : no hay Dios en todos sus pensamientos.
5Zijn wandel is altijd krom uw wetten gooit hij ver van zich af, En wie hem weerstaat, fluit hij uit;
5Sus caminos son viciosos en todo tiempo: tus juicios los tiene muy lejos de su vista: echa bocanadas en orden á todos sus enemigos.
6Hij zegt bij zich zelf: “Nooit zal ik wankelen; Van geslacht tot geslacht treft mij ongeluk noch vloek!”
6Dice en su corazón: No seré movido en ningún tiempo, ni jamás me alcanzará el infortunio.
7Zijn mond zit vol bedrog en geweld, Verderf en onheil kleven aan zijn tong.
7Llena está su boca de maldición, y de engaños y fraude: debajo de su lengua, vejación y maldad.
8Hij legt zich in hinderlaag achter de heggen, Om heimelijk de onschuld te moorden. Zijn ogen begluren den zwakke,
8Está en las guaridas de las aldeas: en los escondrijos mata al inocente: sus ojos están acechando al pobre.
9Hij ligt op de loer als een leeuw in zijn hol; Hij besluipt den ongelukkige, om hem te bespringen, Grijpt hem vast, en sleept hem weg in zijn net.
9Acecha en oculto, como el león desde su cama: acecha para arrebatar al pobre: arrebata al pobre trayéndolo á su red.
10Dan slaat hij hem neer, kromt zich over hem heen, En de ongelukkige valt in zijn klauwen.
10Encógese, agáchase, y caen en sus fuerzas muchos desdichados.
11En hij zegt bij zich zelf: “God vergeet het! Hij verbergt zijn gelaat; Hij ziet het niet eens!”
11Dice en su corazón: Dios está olvidado, ha encubierto su rostro; nunca lo verá.
12Sta op dan Jahweh! Steek uw hand uit, o God; Vergeet de ongelukkigen niet!
12Levántate, oh Jehová Dios, alza tu mano, no te olvides de los pobres.
13Waarom zou de booswicht God blijven honen, Bij zichzelf blijven zeggen: “Toch vergeldt Gij het niet!”
13¿Por qué irrita el malo á Dios? En su corazón ha dicho que no lo inquirirás.
14Gij ziet toch het leed en de ellende; Gij blikt er op neer, om ze te wreken! De zwakke verlaat zich op U, En een wees hebt Gij altijd geholpen!
14Tú lo tienes visto: porque tú miras el trabajo, y la vejación, para vengar le por tu mano: á ti se acoge el pobre, tú eres el amparo del huérfano.
15Verbrijzel de arm van zondaar en boze; Vergeld hem zijn misdaad, laat ze niet ongestraft.
15Quebranta el brazo del malo: del maligno buscarás su maldad, hasta que ninguna halles.
16Jahweh, wees Koning voor eeuwig en immer; Weg met de heidenen, weg uit zijn land!
16Jehová, Rey eterno y perpetuo; de su tierra fueron destruídas las gentes.
17Hoor het smachtend verlangen der armen, o Jahweh; Luister naar de roep van hun hart:
17El deseo de los humildes oíste, oh Jehová: tú dispones su corazón, y haces atento tu oído;
18Om recht te verschaffen aan wees en verdrukte, Zodat ze niemand ter wereld meer vrezen.
18Para juzgar al huérfano y al pobre, á fin de que no vuelva más á hacer violencia el hombre de la tierra.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.