Psalmen
Chapter 105
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Halleluja! Looft Jahweh, verkondigt zijn Naam, Maakt onder de volken zijn daden bekend;
1ALABAD á Jehová, invocad su nombre: haced notorias sus obras en los pueblos.
2Zingt en juicht Hem ter ere, En verhaalt al zijn wonderen!
2Cantadle, cantadle salmos: hablad de todas sus maravillas.
3Roemt in zijn heilige Naam: Vreugd moet er zijn in de harten der Jahweh-vereerders!
3Gloriaos en su santo nombre: alégrese el corazón de los que buscan á Jehová.
4Wendt u tot Jahweh en zijn macht, Houdt niet op, zijn aanschijn te zoeken;
4Buscad á Jehová, y su fortaleza: buscad siempre su rostro.
5Denkt aan de wonderen, die Hij deed, Aan zijn tekenen, aan zijn gerichten:
5Acordaos de sus maravillas que hizo, de sus prodigios y de los juicios de su boca,
6Gij kinderen van Abraham, zijn dienaar; Gij zonen van Jakob, zijn vriend!
6Oh vosotros, simiente de Abraham su siervo, hijos de Jacob, sus escogidos.
7Hij, Jahweh, is onze God; Voor heel de aarde gelden zijn wetten!
7El es Jehová nuestro Dios; en toda la tierra son sus juicios.
8Hij blijft zijn verbond voor eeuwig indachtig, En zijn belofte in duizend geslachten:
8Acordóse para siempre de su alianza; de la palabra que mandó para mil generaciones,
9Het verbond, met Abraham gesloten, De belofte, aan Isaäk gezworen.
9La cual concertó con Abraham; y de su juramento á Isaac.
10En Hij heeft die belofte aan Jakob bekrachtigd, Aan Israël het eeuwig verbond:
10Y establecióla á Jacob por decreto, á Israel por pacto sempiterno,
11Hij zeide: “Aan u zal Ik geven Het land van Kanaän als uw erfdeel.”
11Diciendo: A ti daré la tierra de Canaán por cordel de vuestra heredad.
12Toch waren ze daar maar gering in getal, Nog zonder aanzien en vreemd.
12Esto siendo ellos pocos hombres en número, y extranjeros en ella.
13En toen ze nog zwierven van volk tot volk, Van het ene rijk naar het andere,
13Y anduvieron de gente en gente, de un reino á otro pueblo.
14Duldde Hij niet, dat iemand ze kwelde, Maar tuchtigde koningen om hunnentwil:
14No consintió que hombre los agraviase; y por causa de ellos castigó los reyes.
15“Raakt mijn gezalfden niet aan, En doet mijn profeten geen leed!”
15No toquéis, dijo , á mis ungidos, ni hagáis mal á mis profetas.
16En toen Hij honger in het land had ontboden, Alle broodstokken stuk had geslagen,
16Y llamó al hambre sobre la tierra, y quebrantó todo mantenimiento de pan.
17Zond Hij een man voor hen uit, Werd Josef verkocht als een slaaf;
17Envió un varón delante de ellos, á José, que fué vendido por siervo.
18Men sloeg zijn voeten in boeien, In ijzeren ketens werd hij gekluisterd.
18Afligieron sus pies con grillos; en hierro fué puesta su persona.
19Maar toen eindelijk zijn voorzegging vervuld was, En Jahweh’s uitspraak hem in het gelijk had gesteld,
19Hasta la hora que llegó su palabra, el dicho de Jehová le probó.
20Beval de koning, hem te bevrijden, Liet de heerser der volken hem los;
20Envió el rey, y soltóle; el señor de los pueblos, y desatóle.
21Hij stelde hem aan tot heer van zijn huis, Tot bestuurder van heel zijn bezit.
21Púsolo por señor de su casa, y por enseñoreador en toda su posesión;
22En terwijl hij diens vorsten door zijn geest onderrichtte, En wijsheid leerde aan zijn oudsten,
22Para que reprimiera á sus grandes como él quisiese, y á sus ancianos enseñara sabiduría.
23Trok Israël Egypte binnen, Werd Jakob gast in het land van Cham.
23Después entró Israel en Egipto, y Jacob fué extranjero en la tierra de Châm.
24Daar liet Hij zijn volk heel vruchtbaar worden, Veel talrijker dan zijn verdrukkers.
24Y multiplicó su pueblo en gran manera, é hízolo fuerte más que sus enemigos.
25Maar toen hun hart verstarde, en zij zijn volk gingen haten, En trouweloos zijn dienaren kwelden,
25Volvió el corazón de ellos para que aborreciesen á su pueblo, para que contra sus siervos pensasen mal.
26Zond Hij Moses, zijn dienstknecht, Aäron, dien Hij zelf had gekozen;
26Envió á su siervo Moisés, y á Aarón al cual escogió.
27En zij verrichtten zijn tekenen onder hen, En wonderen in het land van Cham.
27Pusieron en ellos las palabras de sus señales, y sus prodigios en la tierra de Châm.
28Hij zond duisternis af, en maakte het donker; Maar men achtte niet op zijn bevel.
28Echó tinieblas, é hizo oscuridad; y no fueron rebeldes á su palabra.
29Hij veranderde hun wateren in bloed, En doodde hun vissen.
29Volvió sus aguas en sangre, y mató sus pescados.
30Hun land krioelde van kikkers, Tot in de zalen zelfs van hun koning.
30Produjo su tierra ranas, aun en las cámaras de sus reyes.
31Hij sprak: Daar kwamen de muggen, Muskieten over heel hun gebied.
31Dijo, y vinieron enjambres de moscas, y piojos en todo su término.
32Hij gaf hun hagel voor regen, En het vuur laaide op in hun land.
32Volvió en su tierra sus lluvias en granizo, y en fuego de llamaradas.
33Hij sloeg hun wijnstok en vijg, En knakte de bomen op hun grond.
33E hirió sus viñas y sus higueras, y quebró los árboles de su término.
34Hij sprak: Daar kwamen de sprinkhanen aan, En ontelbare slokkers;
34Dijo, y vinieron langostas, y pulgón sin número;
35Ze verslonden al het gewas op het veld, En schrokten de vruchten weg van hun akker.
35Y comieron toda la hierba de su país, y devoraron el fruto de su tierra.
36Hij sloeg alle eerstgeborenen in hun land, Al de eersten van hun mannenkracht.
36Hirió además á todos los primogénitos en su tierra, el principio de toda su fuerza.
37Toen voerde Hij hen uit met zilver en goud, En geen van hun stammen bleef struikelend achter.
37Y sacólos con plata y oro; y no hubo en sus tribus enfermo.
38Egypte was blij, dat ze gingen; Want de schrik voor hen had ze bevangen.
38Egipto se alegró de que salieran; porque su terror había caído sobre ellos.
39En Hij spreidde een wolk uit tot dek, Een vuur, om de nacht te verlichten.
39Extendió una nube por cubierta, y fuego para alumbrar la noche.
40Zij baden: Hij liet de kwakkels komen, En verzadigde hen met brood uit de hemel;
40Pidieron, é hizo venir codornices; y saciólos de pan del cielo.
41Hij spleet de rotsen: daar borrelden de wateren, En vloeiden door de woestijn als een stroom:
41Abrió la peña, y fluyeron aguas; corrieron por los secadales como un río.
42Want Hij was zijn heilige belofte indachtig, Aan Abraham, zijn dienaar, gedaan!
42Porque se acordó de su santa palabra, dada á Abraham su siervo.
43Zo leidde Hij zijn volk met gejubel, Zijn uitverkorenen onder gejuich.
43Y sacó á su pueblo con gozo; con júbilo á sus escogidos.
44Hij schonk hun de landen der heidenen, En ze erfden het vermogen der volken:
44Y dióles las tierras de las gentes; y las labores de las naciones heredaron:
45Opdat ze zijn geboden zouden volbrengen, En zijn wetten onderhouden!
45Para que guardasen sus estatutos, y observasen sus leyes. Aleluya.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.