Psalmen 34
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Van David, toen hij zich voor Abimé als een krankzinnige had aangesteld, door hem was weggejaagd, en was heengegaan. Altijd wil ik Jahweh prijzen, Steeds trilt zijn lofzang in mijn mond.
1Salmo de David, cuando mudó su semblante delante de Abimelech, y él lo echó, y fuése. BENDECIRÉ á Jehová en todo tiempo; su alabanza será siempre en mi boca.
2Mijn ziel zal roemen in Jahweh; Bedrukten zullen het horen, en juichen.
2En Jehová se gloriará mi alma: oiránlo los mansos, y se alegrarán.
3Verheerlijkt Jahweh met mij, Laat ons te zamen zijn Naam verheffen:
3Engrandeced á Jehová conmigo, y ensalcemos su nombre á una.
4Ik heb Jahweh gesmeekt; Hij heeft mij verhoord, En mij van al mijn angsten bevrijd.
4Busqué á Jehová, y él me oyó, y libróme de todos mis temores.
5Ziet naar Hem op, dan straalt gij van vreugde, En uw gelaat zal niet blozen van schaamte.
5A él miraron y fueron alumbrados: y sus rostros no se avergonzaron.
6Hier is een rampzalige, die om hulp heeft geroepen: Jahweh heeft hem gehoord, en van al zijn ellende verlost.
6Este pobre clamó, y oyóle Jehová, y librólo de todas sus angustias.
7De engel van Jahweh slaat zijn legerplaats op Rond die Hem vrezen, om ze te redden!
7El ángel de Jehová acampa en derredor de los que le temen, y los defiende.
8Smaakt en beseft dan de goedheid van Jahweh; Gelukkig de man, die zijn hoop op Hem stelt.
8Gustad, y ved que es bueno Jehová: dichoso el hombre que confiará en él.
9Vreest Jahweh, zijn vromen, Want die Hem duchten, ontbreekt het aan niets;
9Temed á Jehová, vosotros sus santos; porque no hay falta para los que le temen.
10Rijken kunnen verarmen en hongeren, Die Jahweh zoekt, komt niets te kort.
10Los leoncillos necesitaron, y tuvieron hambre; pero los que buscan á Jehová, no tendrán falta de ningún bien.
11Komt nu, kinderen, en luistert naar mij! Ik leer u, hoe men Jahweh moet vrezen,
11Venid, hijos, oidme; el temor de Jehová os enseñaré.
12En wie het is, die van het leven geniet, Lengte van dagen zich wenst, om het goede te zien:
12¿Quién es el hombre que desea vida, que codicia días para ver bien?
13Bewaar uw tong voor het kwaad, En uw lippen voor leugen;
13Guarda tu lengua de mal, y tus labios de hablar engaño.
14Vlucht het kwaad, doe enkel wat goed is; Zoek de vrede, en jaag hem na!
14Apártate del mal, y haz el bien; busca la paz, y síguela.
15De ogen van Jahweh zijn op de vromen gericht, Zijn oren naar hun smeken gekeerd;
15Los ojos de Jehová están sobre los justos, y atentos sus oídos al clamor de ellos.
16Maar Jahweh’s aanschijn blikt grimmig tegen de bozen, Om hun gedachtenis van de aarde te delgen.
16La ira de Jehová contra los que mal hacen, para cortar de la tierra la memoria de ellos.
17De vromen roepen, en Jahweh verhoort hen, En verlost ze van al hun ellende;
17Clamaron los justos , y Jehová oyó, y librólos de todas sus angustias.
18Gebroken harten blijft Jahweh nabij, Vermorzelde zielen komt Hij te hulp.
18Cercano está Jehová á los quebrantados de corazón; y salvará á los contritos de espíritu.
19Hoe talrijk de rampen van den rechtvaardige ook zijn, Jahweh redt hem er uit;
19Muchos son los males del justo; mas de todos ellos lo librará Jehová.
20Jahweh is voor al zijn beenderen bezorgd, Niet één daarvan wordt gebroken.
20El guarda todos sus huesos; ni uno de ellos será quebrantado.
21De zonde brengt den boze de dood, En wie den rechtvaardige haat, moet het boeten.
21Matará al malo la maldad; y los que aborrecen al justo serán asolados.
22Maar zijn dienaars spaart Jahweh het leven; Wie tot Hem vlucht, zal het nimmer berouwen.
22Jehová redime el alma de sus siervos; y no serán asolados cuantos en él confían.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.