Psalmen
Chapter 34
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Chamorro: Gospels,…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Van David, toen hij zich voor Abimé als een krankzinnige had aangesteld, door hem was weggejaagd, en was heengegaan. Altijd wil ik Jahweh prijzen, Steeds trilt zijn lofzang in mijn mond.
1JUBENDISE si Jeova gui todo y tiempo: y alabansaña siésiempreja sumaga gui pachotto.
2Mijn ziel zal roemen in Jahweh; Bedrukten zullen het horen, en juichen.
2Si Jeova umalaba y antijo: man manjungog y manmanso ya ninafanmagof.
3Verheerlijkt Jahweh met mij, Laat ons te zamen zijn Naam verheffen:
3Junadangculo si Jeova guiya guajo: ya nita tanataquilo y naanña gui un vos.
4Ik heb Jahweh gesmeekt; Hij heeft mij verhoord, En mij van al mijn angsten bevrijd.
4Jualigao si Jeova ya güiya jajungogyo: ya todo y minaañaojo janalibreyo.
5Ziet naar Hem op, dan straalt gij van vreugde, En uw gelaat zal niet blozen van schaamte.
5Sija inatangüe ya infaninina: ya y matañija ti ufanmamajlao.
6Hier is een rampzalige, die om hulp heeft geroepen: Jahweh heeft hem gehoord, en van al zijn ellende verlost.
6Este y namase na taotao umagang, ya si Jeova jumungog, ya ninalibre todo gui chinatsagaña.
7De engel van Jahweh slaat zijn legerplaats op Rond die Hem vrezen, om ze te redden!
7Y angjet Jeova jaoriyaye sija y manmaañao nu güiya ya janalibre sija.
8Smaakt en beseft dan de goedheid van Jahweh; Gelukkig de man, die zijn hoop op Hem stelt.
8Chague ya unlie na mauleg si Jeova: dichoso y taotao ni umangocogüe guiya güiya.
9Vreest Jahweh, zijn vromen, Want die Hem duchten, ontbreekt het aan niets;
9Fanmaañao as Jeova, jamyo mañantosña: sa taya ufatta para y manmaañao nu güiya.
10Rijken kunnen verarmen en hongeren, Die Jahweh zoekt, komt niets te kort.
10Y mandiquique na león mannamase ya manñalang; ya y umaliligao si Jeova ti ufatta ni jafa na minauleg.
11Komt nu, kinderen, en luistert naar mij! Ik leer u, hoe men Jahweh moet vrezen,
11Maela jamyo famaguon, ecungog yo: ya jufanagüe jamyo ni y minaañao as Jeova.
12En wie het is, die van het leven geniet, Lengte van dagen zich wenst, om het goede te zien:
12Jaye enao na taotao y tumátana y linâlâ, ya yaña megae na jaane para ulie y minauleg?
13Bewaar uw tong voor het kwaad, En uw lippen voor leugen;
13Adaje y jilamo gui taelaye, yan y labiosmo na ucuentos mandague.
14Vlucht het kwaad, doe enkel wat goed is; Zoek de vrede, en jaag hem na!
14Suja gui taelaye ya fatinas y mauleg; aligao y pas ya dalalag.
15De ogen van Jahweh zijn op de vromen gericht, Zijn oren naar hun smeken gekeerd;
15Y atadog Jeova gaegue gui jilo y manunas: ya y talangaña esta mababa pot y inagangñija.
16Maar Jahweh’s aanschijn blikt grimmig tegen de bozen, Om hun gedachtenis van de aarde te delgen.
16Y matan Jeova contra y fumatitinas y taelaye para uutut gui tano y jinasoñija.
17De vromen roepen, en Jahweh verhoort hen, En verlost ze van al hun ellende;
17Managang y manunas ya si Jeova jumungog: ya todo y chinatsagañija ninafanlibre.
18Gebroken harten blijft Jahweh nabij, Vermorzelde zielen komt Hij te hulp.
18Jijot esta si Jeova gui manmaque branta na corason: yan y manmañetnot na espiritu janalibre.
19Hoe talrijk de rampen van den rechtvaardige ook zijn, Jahweh redt hem er uit;
19Megae y pinitiñiñija y manunas: lao todo ayo si Jeova munafanlibre.
20Jahweh is voor al zijn beenderen bezorgd, Niet één daarvan wordt gebroken.
20Jaadaje todo y telangñija: ya ni uno guiya sija umayamag.
21De zonde brengt den boze de dood, En wie den rechtvaardige haat, moet het boeten.
21Y tinaelaye upinino y taotao ni taelaye: ya y chumatlie y manunas ufansinentensia.
22Maar zijn dienaars spaart Jahweh het leven; Wie tot Hem vlucht, zal het nimmer berouwen.
22Janalilibre si Jeova y linâlâ y tentagoña: ya taya ni uno ni umangoco güe usinentensia.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.