Psalmen 34
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Van David, toen hij zich voor Abimé als een krankzinnige had aangesteld, door hem was weggejaagd, en was heengegaan. Altijd wil ik Jahweh prijzen, Steeds trilt zijn lofzang in mijn mond.
1Ipsi David. [Judica, Domine, nocentes me; expugna impugnantes me.
2Mijn ziel zal roemen in Jahweh; Bedrukten zullen het horen, en juichen.
2Apprehende arma et scutum, et exsurge in adjutorium mihi.
3Verheerlijkt Jahweh met mij, Laat ons te zamen zijn Naam verheffen:
3Effunde frameam, et conclude adversus eos qui persequuntur me; dic animæ meæ: Salus tua ego sum.
4Ik heb Jahweh gesmeekt; Hij heeft mij verhoord, En mij van al mijn angsten bevrijd.
4Confundantur et revereantur quærentes animam meam; avertantur retrorsum et confundantur cogitantes mihi mala.
5Ziet naar Hem op, dan straalt gij van vreugde, En uw gelaat zal niet blozen van schaamte.
5Fiant tamquam pulvis ante faciem venti, et angelus Domini coarctans eos.
6Hier is een rampzalige, die om hulp heeft geroepen: Jahweh heeft hem gehoord, en van al zijn ellende verlost.
6Fiat via illorum tenebræ et lubricum, et angelus Domini persequens eos.
7De engel van Jahweh slaat zijn legerplaats op Rond die Hem vrezen, om ze te redden!
7Quoniam gratis absconderunt mihi interitum laquei sui; supervacue exprobraverunt animam meam.
8Smaakt en beseft dan de goedheid van Jahweh; Gelukkig de man, die zijn hoop op Hem stelt.
8Veniat illi laqueus quem ignorat, et captio quam abscondit apprehendat eum, et in laqueum cadat in ipsum.
9Vreest Jahweh, zijn vromen, Want die Hem duchten, ontbreekt het aan niets;
9Anima autem mea exsultabit in Domino, et delectabitur super salutari suo.
10Rijken kunnen verarmen en hongeren, Die Jahweh zoekt, komt niets te kort.
10Omnia ossa mea dicent: Domine, quis similis tibi? eripiens inopem de manu fortiorum ejus; egenum et pauperem a diripientibus eum.
11Komt nu, kinderen, en luistert naar mij! Ik leer u, hoe men Jahweh moet vrezen,
11Surgentes testes iniqui, quæ ignorabam interrogabant me.
12En wie het is, die van het leven geniet, Lengte van dagen zich wenst, om het goede te zien:
12Retribuebant mihi mala pro bonis, sterilitatem animæ meæ.
13Bewaar uw tong voor het kwaad, En uw lippen voor leugen;
13Ego autem, cum mihi molesti essent, induebar cilicio; humiliabam in jejunio animam meam, et oratio mea in sinu meo convertetur.
14Vlucht het kwaad, doe enkel wat goed is; Zoek de vrede, en jaag hem na!
14Quasi proximum et quasi fratrem nostrum sic complacebam; quasi lugens et contristatus sic humiliabar.
15De ogen van Jahweh zijn op de vromen gericht, Zijn oren naar hun smeken gekeerd;
15Et adversum me lætati sunt, et convenerunt; congregata sunt super me flagella, et ignoravi.
16Maar Jahweh’s aanschijn blikt grimmig tegen de bozen, Om hun gedachtenis van de aarde te delgen.
16Dissipati sunt, nec compuncti; tentaverunt me, subsannaverunt me subsannatione; frenduerunt super me dentibus suis.
17De vromen roepen, en Jahweh verhoort hen, En verlost ze van al hun ellende;
17Domine, quando respicies? Restitue animam meam a malignitate eorum; a leonibus unicam meam.
18Gebroken harten blijft Jahweh nabij, Vermorzelde zielen komt Hij te hulp.
18Confitebor tibi in ecclesia magna; in populo gravi laudabo te.
19Hoe talrijk de rampen van den rechtvaardige ook zijn, Jahweh redt hem er uit;
19Non supergaudeant mihi qui adversantur mihi inique, qui oderunt me gratis, et annuunt oculis.
20Jahweh is voor al zijn beenderen bezorgd, Niet één daarvan wordt gebroken.
20Quoniam mihi quidem pacifice loquebantur; et in iracundia terræ loquentes, dolos cogitabant.
21De zonde brengt den boze de dood, En wie den rechtvaardige haat, moet het boeten.
21Et dilataverunt super me os suum; dixerunt: Euge, euge ! viderunt oculi nostri.
22Maar zijn dienaars spaart Jahweh het leven; Wie tot Hem vlucht, zal het nimmer berouwen.
22Vidisti, Domine: ne sileas; Domine, ne discedas a me.
no verse 23 in this text
23Exsurge et intende judicio meo, Deus meus; et Dominus meus, in causam meam.
no verse 24 in this text
24Judica me secundum justitiam tuam, Domine Deus meus, et non supergaudeant mihi.
no verse 25 in this text
25Non dicant in cordibus suis: Euge, euge, animæ nostræ; nec dicant: Devoravimus eum.
no verse 26 in this text
26Erubescant et revereantur simul qui gratulantur malis meis; induantur confusione et reverentia qui magna loquuntur super me.
no verse 27 in this text
27Exsultent et lætentur qui volunt justitiam meam; et dicant semper: Magnificetur Dominus, qui volunt pacem servi ejus.
no verse 28 in this text
28Et lingua mea meditabitur justitiam tuam; tota die laudem tuam.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.