Psalmen 129
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Een bedevaartslied. Van jongs af heeft men wreed mij mishandeld, Mag Israël wel zeggen;
1Canticum graduum. [De profundis clamavi ad te, Domine;
2Mij hardvochtig gekweld sinds mijn jeugd, Maar nooit mij gebroken.
2Domine, exaudi vocem meam. Fiant aures tuæ intendentes in vocem deprecationis meæ.
3Ploegers hebben mijn rug beploegd, En lange voren getrokken;
3Si iniquitates observaveris, Domine, Domine, quis sustinebit?
4Maar Jahweh bleef trouw: De riemen der bozen sneed Hij stuk.
4Quia apud te propitiatio est; et propter legem tuam sustinui te, Domine. Sustinuit anima mea in verbo ejus:
5Beschaamd moeten vluchten Alle haters van Sion.
5speravit anima mea in Domino.
6Ze zullen worden als gras op de daken, Dat vóór het opschiet, verdort;
6A custodia matutina usque ad noctem, speret Israël in Domino.
7Waarmee geen maaier zijn hand kan vullen, Geen hooier zijn arm.
7Quia apud Dominum misericordia, et copiosa apud eum redemptio.
8En niemand zal in het voorbijgaan zeggen: “De zegen van Jahweh over u; Wij zegenen u in Jahweh’s Naam!”
8Et ipse redimet Israël ex omnibus iniquitatibus ejus.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.