Psalmen 68
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Voor muziekbegeleiding van David. Een psalm; een lied. God staat op: zijn vijanden stuiven uiteen, Zijn haters vluchten voor Hem weg!
1In finem, pro iis qui commutabuntur. David.
2Zoals rook spoorloos verdwijnt, En was wegsmelt in vuur, Zo vergaan de bozen Voor het aanschijn van God.
2[Salvum me fac, Deus, quoniam intraverunt aquæ usque ad animam meam.
3Maar de rechtvaardigen mogen juichen en jubelen, Zich verheugen en verblijden in God!
3Infixus sum in limo profundi et non est substantia. Veni in altitudinem maris, et tempestas demersit me.
4Zingt God ter ere, en verheerlijkt zijn Naam, Jubelt voor Hem, die door de woestijn kwam gereden; Verheugt u in Jahweh, En juicht voor zijn aanschijn!
4Laboravi clamans, raucæ factæ sunt fauces meæ; defecerunt oculi mei, dum spero in Deum meum.
5Hij is de Vader der wezen, de Beschermer der weduwen, Hij is God in zijn heilige tent;
5Multiplicati sunt super capillos capitis mei qui oderunt me gratis. Confortati sunt qui persecuti sunt me inimici mei injuste; quæ non rapui, tunc exsolvebam.
6God, die de eenzame zwervers naar huis geleidde, Maar de weerspannigen bleven in de wildernis achter!
6Deus, tu scis insipientiam meam; et delicta mea a te non sunt abscondita.
7Bij uw uittocht, o God, aan de spits van uw volk, En bij uw opmars door de woestijn:
7Non erubescant in me qui exspectant te, Domine, Domine virtutum; non confundantur super me qui quærunt te, Deus Israël.
8Beefde de aarde, dropen de hemelen voor het aanschijn van God, Rilde de Sinaï voor het aanschijn van Jahweh, Israëls God!
8Quoniam propter te sustinui opprobrium; operuit confusio faciem meam.
9Een regen van gaven hebt Gij uitgestort, o God, En toen uw erfdeel uitgeput was, hebt Gij het gesterkt;
9Extraneus factus sum fratribus meis, et peregrinus filiis matris meæ.
10Uw beesten lieten zich onder hen neer, De uitgehongerden hebt Gij, o God, in uw goedheid verkwikt.
10Quoniam zelus domus tuæ comedit me, et opprobria exprobrantium tibi ceciderunt super me.
11Toen heeft de Heer zijn belofte vervuld, En een leger van vrouwen kwam het blijde verkonden:
11Et operui in jejunio animam meam, et factum est in opprobrium mihi.
12Machtige koningen slaan met haast op de vlucht, En het schone geslacht verdeelt de buit!
12Et posui vestimentum meum cilicium; et factus sum illis in parabolam.
13Nu moogt gij gaan rusten in uw beemden: Zilverwit als de vleugels der duif, met goud overtrokken;
13Adversum me loquebantur qui sedebant in porta, et in me psallebant qui bibebant vinum.
14Want de Almachtige heeft de koningen verstrooid, Zoals het sneeuwt op de Salmon!
14Ego vero orationem meam ad te, Domine; tempus beneplaciti, Deus. In multitudine misericordiæ tuæ, exaudi me in veritate salutis tuæ.
15Bergen van Basjan, godengebergte met uw spitsen:
15Eripe me de luto, ut non infigar; libera me ab iis qui oderunt me, et de profundis aquarum.
16Bergen en toppen, waarom kijkt gij scheel Naar de berg, die God tot woonplaats verkoos, En waar Jahweh eeuwig zal wonen?
16Non me demergat tempestas aquæ, neque absorbeat me profundum, neque urgeat super me puteus os suum.
17Op de wagens van God: tienduizenden, duizend maal duizend, Trokt Gij van de Sinaï uw heiligdom binnen, o Heer;
17Exaudi me, Domine, quoniam benigna est misericordia tua; secundum multitudinem miserationum tuarum respice in me.
18Gij hebt de hoogte beklommen, De gevangenen meegevoerd, Van de mensen geschenken aanvaard, Van weerspannigen zelfs, voor de woonplaats van God!
18Et ne avertas faciem tuam a puero tuo; quoniam tribulor, velociter exaudi me.
19Geloofd zij de Heer, die ons altijd beschermt, de God van ons heil;
19Intende animæ meæ, et libera eam; propter inimicos meos, eripe me.
20Gij, die ons redt; Jahweh, die nog uitwegen kent van de dood;
20Tu scis improperium meum, et confusionem meam, et reverentiam meam;
21God, die de kop van zijn vijand verplettert, De harde schedel van hem, die in ongerechtigheid leeft!
21in conspectu tuo sunt omnes qui tribulant me. Improperium exspectavit cor meum et miseriam: et sustinui qui simul contristaretur, et non fuit; et qui consolaretur, et non inveni.
22De Heer heeft gezegd: Ik sleep ze uit Basjan, Haal ze naar boven uit de diepten der zee,
22Et dederunt in escam meam fel, et in siti mea potaverunt me aceto.
23Opdat gij in hun bloed met uw voeten kunt plassen, Ook de tong van uw honden haar deel van de vijanden krijgt!
23Fiat mensa eorum coram ipsis in laqueum, et in retributiones, et in scandalum.
24Ziet, daar nadert de feeststoet van God, De feeststoet naar het heiligdom van mijn God en mijn Koning!
24Obscurentur oculi eorum, ne videant, et dorsum eorum semper incurva.
25Voorop gaan de zangers, de harpspelers volgen;
25Effunde super eos iram tuam, et furor iræ tuæ comprehendat eos.
26In het midden de maagden met pauken: in koren loven ze God. Dan de heersers, uit Israëls bronnen ontsprongen:
26Fiat habitatio eorum deserta, et in tabernaculis eorum non sit qui inhabitet.
27Benjamin de jongste vooraan, Met de vorsten van Juda in machtige drommen, En de vorsten van Zabulon en Neftali’s vorsten!
27Quoniam quem tu percussisti persecuti sunt, et super dolorem vulnerum meorum addiderunt.
28Toon nu uw almacht, o God, die Gij ons hebt betuigd,
28Appone iniquitatem super iniquitatem eorum, et non intrent in justitiam tuam.
29Van uw heiligdom uit voor Jerusalems heil! Laat koningen U geschenken brengen:
29Deleantur de libro viventium, et cum justis non scribantur.
30Jonge schapen, kudden stieren en kalveren uit Patros; Met staven van zilver en goud Als vrijwillige schatting der volken;
30Ego sum pauper et dolens; salus tua, Deus, suscepit me.
31Laat Egypte zijn vette gaven brengen, Koesj zijn handen vullen voor God!
31Laudabo nomen Dei cum cantico, et magnificabo eum in laude:
32Koninkrijken der aarde, zingt ter ere van God, En stemt een loflied aan voor den Heer:
32et placebit Deo super vitulum novellum, cornua producentem et ungulas.
33Die de hoogste hemel der hemelen bestijgt, En met zijn stem de machtige donder doet rollen!
33Videant pauperes, et lætentur; quærite Deum, et vivet anima vestra:
34Geeft glorie aan Israëls God, Wiens macht en kracht in de wolken reikt!
34quoniam exaudivit pauperes Dominus, et vinctos suos non despexit.
35Ontzaglijk is God in zijn heilige woning: Hij, Israëls God, Die kracht en sterkte geeft aan het volk: Gezegend zij God!
35Laudent illum cæli et terra; mare, et omnia reptilia in eis.
no verse 36 in this text
36Quoniam Deus salvam faciet Sion, et ædificabuntur civitates Juda, et inhabitabunt ibi, et hæreditate acquirent eam.
no verse 37 in this text
37Et semen servorum ejus possidebit eam; et qui diligunt nomen ejus habitabunt in ea.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.