Psalmen 53
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Voor muziekbegeleiding; op de fluit. Een leerdicht van David. De dwaas zegt bij zichzelf: “Er is geen God!” Slecht en schandelijk is zijn gedrag; Er is niemand, die het goede wil doen.
1In finem, in carminibus. Intellectus David,
2God blikt uit de hemelen neer Op de kinderen der mensen: Om te zien, of er niet één verstandige is, Niet één, die God zoekt.
2cum venissent Ziphæi, et dixissent ad Saul: Nonne David absconditus est apud nos?
3Maar allen zijn ze afgedwaald, Allen even bedorven; Er is niemand, die het goede wil doen, Geen enkele zelfs.
3[Deus, in nomine tuo salvum me fac, et in virtute tua judica me.
4Worden de zondaars dan nimmer verstandig: Ze blijven mijn volk maar verslinden, En het brood van God wel eten, Maar zij roepen Hem niet aan.
4Deus, exaudi orationem meam; auribus percipe verba oris mei.
5Maar dan zullen ze eens beven van angst, Want God zal hun gebeente verstrooien; Die u omsingelen, zult gij beschamen, Want God heeft ze verworpen.
5Quoniam alieni insurrexerunt adversum me, et fortes quæsierunt animam meam, et non proposuerunt Deum ante conspectum suum.
6Ach, dat uit Sion Israëls redding mocht dagen, Als God het lot van zijn volk ten beste keert! Dan zal Jakob jubelen, En Israël juichen!
6Ecce enim Deus adjuvat me, et Dominus susceptor est animæ meæ.
no verse 7 in this text
7Averte mala inimicis meis; et in veritate tua disperde illos.
no verse 8 in this text
8Voluntarie sacrificabo tibi, et confitebor nomini tuo, Domine, quoniam bonum est.
no verse 9 in this text
9Quoniam ex omni tribulatione eripuisti me, et super inimicos meos despexit oculus meus.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.