Psalmen 141
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Een psalm van David. Ik roep tot U, Jahweh; ach, snel mij te hulp, Hoor naar mijn klagen, wanneer ik U smeek;
1Intellectus David, cum esset in spelunca, oratio.
2Laat mijn gebed voor U als een reukoffer gelden, Mijn opgeheven handen als een avondoffer zijn.
2[Voce mea ad Dominum clamavi, voce mea ad Dominum deprecatus sum.
3Jahweh, zet een wacht voor mijn mond, Een post voor de deur van mijn lippen;
3Effundo in conspectu ejus orationem meam, et tribulationem meam ante ipsum pronuntio:
4Laat mijn hart zich naar het kwade niet neigen, Om slechte dingen te doen. Met zondaars zoek ik geen omgang, En van hun lekkernijen wil ik niet eten;
4in deficiendo ex me spiritum meum, et tu cognovisti semitas meas. In via hac qua ambulabam absconderunt laqueum mihi.
5Maar de rechtvaardige, zelfs als hij slaat, is een zegen, En als hij mij tuchtigt, nog balsem op het hoofd. Mijn hoofd zal niet schudden, wanneer ze vermanen, En als ze kastijden, stijgt mijn gebed nog omhoog;
5Considerabam ad dexteram, et videbam, et non erat qui cognosceret me: periit fuga a me, et non est qui requirat animam meam.
6En al word ik door mijn rechters gestenigd, Zij horen van mij enkel vriendelijke woorden.
6Clamavi ad te, Domine; dixi: Tu es spes mea, portio mea in terra viventium.
7Als barsten en scheuren in de akker Liggen mijn beenderen verstrooid aan de rand van het graf:
7Intende ad deprecationem meam, quia humiliatus sum nimis. Libera me a persequentibus me, quia confortati sunt super me.
8Maar op U, Jahweh mijn Heer, blijven mijn ogen gericht, Tot U neem ik mijn toevlucht: giet mijn leven niet weg!
8Educ de custodia animam meam ad confitendum nomini tuo; me exspectant justi donec retribuas mihi.]
9Behoed mij voor het net, dat men mij heeft gespannen, En voor de strikken der zondaars;
no verse 9 in this text
10Laat de bozen in hun eigen kuilen verzinken, Maar ìk er alleen aan ontsnappen!
no verse 10 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.