Psalmen 73
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Psalm van Asaf. Waarachtig; God is goed voor den rechtvaardige, Jahweh voor de reinen van hart!
1Intellectus Asaph. [Ut quid, Deus, repulisti in finem, iratus est furor tuus super oves pascuæ tuæ?
2Toch waren haast mijn voeten gestruikeld, Mijn schreden bijna uitgegleden!
2Memor esto congregationis tuæ, quam possedisti ab initio. Redemisti virgam hæreditatis tuæ, mons Sion, in quo habitasti in eo.
3Want ik was jaloers op de bozen, Omdat ik de voorspoed der zondaars zag;
3Leva manus tuas in superbias eorum in finem: quanta malignatus est inimicus in sancto !
4Voor hen toch bestaat er geen lijden, Gezond en vol kracht is hun lijf.
4Et gloriati sunt qui oderunt te in medio solemnitatis tuæ; posuerunt signa sua, signa:
5Ze hebben geen zorgen als andere mensen, Worden niet als anderen geplaagd;
5et non cognoverunt sicut in exitu super summum. Quasi in silva lignorum securibus
6Daarom hangen ze hoogmoed om als een keten, Bedekt hen geweld als een mantel.
6exciderunt januas ejus in idipsum; in securi et ascia dejecerunt eam.
7De misdaad puilt uit hun vet, Hun hart loopt over van slechte gedachten;
7Incenderunt igni sanctuarium tuum; in terra polluerunt tabernaculum nominis tui.
8Ze honen en lasteren, En dreigen op hoge toon met geweld.
8Dixerunt in corde suo cognatio eorum simul: Quiescere faciamus omnes dies festos Dei a terra.
9Ze zetten een mond op tegen de hemel, En hun tong gaat zich tegen de aarde te buiten.
9Signa nostra non vidimus; jam non est propheta; et nos non cognoscet amplius.
10Daarom lopen de dwazen achter hen aan, En slurpen begerig hun woorden op.
10Usquequo, Deus, improperabit inimicus? irritat adversarius nomen tuum in finem?
11Ze zeggen: “Hoe zou God er iets van weten, De Allerhoogste er kennis van hebben?”
11Ut quid avertis manum tuam, et dexteram tuam de medio sinu tuo in finem?
12Zie, zo gaat het de zondaars: Ze zijn altijd gelukkig, en hopen zich rijkdommen op!
12Deus autem rex noster ante sæcula: operatus est salutem in medio terræ.
13Heb ik dan mijn hart vergeefs in reinheid bewaard, En mijn handen in onschuld gewassen:
13Tu confirmasti in virtute tua mare; contribulasti capita draconum in aquis.
14De ganse dag word ik geplaagd, Iedere morgen opnieuw geslagen!
14Tu confregisti capita draconis; dedisti eum escam populis Æthiopum.
15Dacht ik: Zo wil ik spreken! Dan brak ik de trouw van het geslacht uwer kinderen;
15Tu dirupisti fontes et torrentes; tu siccasti fluvios Ethan.
16Maar als ik ging peinzen, om het te vatten, Dan bleef het een raadsel in mijn oog.
16Tuus est dies, et tua est nox; tu fabricatus es auroram et solem.
17Totdat ik in Gods raadsbesluiten drong, En op hun einde ging letten:
17Tu fecisti omnes terminos terræ; æstatem et ver tu plasmasti ea.
18Ja, Gij hebt ze op een glibberige bodem gezet, Ze gestort in hun eigen verderf!
18Memor esto hujus: inimicus improperavit Domino, et populus insipiens incitavit nomen tuum.
19Hoe zijn ze in een oogwenk vernietigd, Verdwenen, in verschrikkelijke rampen vergaan:
19Ne tradas bestiis animas confitentes tibi, et animas pauperum tuorum ne obliviscaris in finem.
20Heer, als een droom, die bij het ontwaken vervliegt, Wiens beeld we bij het opstaan verachten!
20Respice in testamentum tuum, quia repleti sunt qui obscurati sunt terræ domibus iniquitatum.
21Als dus mijn hart nog verbitterd zou zijn, En mijn nieren bleven geprikkeld,
21Ne avertatur humilis factus confusus; pauper et inops laudabunt nomen tuum.
22Dan was ik een dwaas en een zot, Een stuk vee in uw oog.
22Exsurge, Deus, judica causam tuam; memor esto improperiorum tuorum, eorum quæ ab insipiente sunt tota die.
23Want ik blijf altijd bij U, Gij houdt mij bij de rechterhand;
23Ne obliviscaris voces inimicorum tuorum: superbia eorum qui te oderunt ascendit semper.]
24Gij leidt mij naar uw raadsbesluit, En herstelt mij in ere!
no verse 24 in this text
25Wat heb ik toch in de hemel; Ook op aarde verlang ik niets buiten U!
no verse 25 in this text
26Al bezwijken mijn vlees en mijn hart, God is voor eeuwig de Rots van mijn hart en mijn erfdeel.
no verse 26 in this text
27Maar die U verlaten, gaan zeker te gronde, Gij vernietigt wie van U afvalt;
no verse 27 in this text
28Doch mij is het goed, in Gods nabijheid te blijven, En mijn vertrouwen te stellen op Jahweh, mijn Heer!
no verse 28 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.