Psalmen 50
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Een psalm van Asaf. De God der goden, Jahweh, spreekt en roept tot de aarde Van de opgang tot de ondergang der zon!
1In finem. Psalmus David,
2Van Sion, de kroon der schoonheid, straalt God zijn heerlijkheid uit:
2cum venit ad eum Nathan propheta, quando intravit ad Bethsabee.
3Hij komt, onze God, en zwijgt niet meer! Verterend vuur gaat voor Hem uit, De stormwind woedt om Hem heen!
3[Miserere mei, Deus, secundum magnam misericordiam tuam; et secundum multitudinem miserationum tuarum, dele iniquitatem meam.
4Hij nodigt de hemelen uit, daarboven, En de aarde, om zijn volk te richten:
4Amplius lava me ab iniquitate mea, et a peccato meo munda me.
5“Brengt Mij mijn getrouwen bijeen, Die door offers het Verbond met Mij sloten!”
5Quoniam iniquitatem meam ego cognosco, et peccatum meum contra me est semper.
6En de hemelen verkondigen zijn gerechtigheid; Want God begint het gericht.
6Tibi soli peccavi, et malum coram te feci; ut justificeris in sermonibus tuis, et vincas cum judicaris.
7Hoor, mijn volk, en laat Mij spreken; Het u betuigen, Israël: Ik Jahweh, uw God:
7Ecce enim in iniquitatibus conceptus sum, et in peccatis concepit me mater mea.
8Niet om uw offers spreek Ik u vrij, Of om uw brandoffers, Mij zonder ophouden gebracht.
8Ecce enim veritatem dilexisti; incerta et occulta sapientiæ tuæ manifestasti mihi.
9Neen, Ik heb den stier uit uw stallen niet nodig, En geen bokken uit uw kooien.
9Asperges me hyssopo, et mundabor; lavabis me, et super nivem dealbabor.
10Want Mij behoren alle dieren in het woud, Het vee en het wild op de bergen;
10Auditui meo dabis gaudium et lætitiam, et exsultabunt ossa humiliata.
11Ik ken alle vogels in de lucht, Van Mij is wat zich beweegt op het veld.
11Averte faciem tuam a peccatis meis, et omnes iniquitates meas dele.
12Had Ik honger, Ik behoefde het ú niet te zeggen, Want Mij behoort de aarde met wat ze bevat.
12Cor mundum crea in me, Deus, et spiritum rectum innova in visceribus meis.
13Of zou Ik soms stierenvlees eten, En bokkenbloed drinken?
13Ne projicias me a facie tua, et spiritum sanctum tuum ne auferas a me.
14Neen, breng als uw offer een loflied aan God, Onderhoud uw geloften, den Allerhoogste gebracht,
14Redde mihi lætitiam salutaris tui, et spiritu principali confirma me.
15En roep Mij aan in tijden van nood: Dan zal Ik u redden, en gij zult Mij eren.
15Docebo iniquos vias tuas, et impii ad te convertentur.
16Hoe waagt gij het, over mijn geboden te spreken, En uw mond vol te hebben van mijn Verbond,
16Libera me de sanguinibus, Deus, Deus salutis meæ, et exsultabit lingua mea justitiam tuam.
17Terwijl gij toch de tucht veracht, En mijn woord in de wind slaat?
17Domine, labia mea aperies, et os meum annuntiabit laudem tuam.
18Ziet gij een dief, gij loopt terstond met hem mee, En met echtbrekers gaat gij vriendschappelijk om.
18Quoniam si voluisses sacrificium, dedissem utique; holocaustis non delectaberis.
19Uw mond vloeit over van boosheid, En uw tong weeft bedrog;
19Sacrificium Deo spiritus contribulatus; cor contritum et humiliatum, Deus, non despicies.
20Gij spreekt schande over uw broeder, En werpt smaad op den zoon van uw moeder.
20Benigne fac, Domine, in bona voluntate tua Sion, ut ædificentur muri Jerusalem.
21Dit hebt gij gedaan; en omdat Ik bleef zwijgen, Dacht gij nog: Ik ben niet beter dan gij. Daarom waarschuw Ik u, En breng het u onder het oog.
21Tunc acceptabis sacrificium justitiæ, oblationes et holocausta; tunc imponent super altare tuum vitulos.]
22Godvergetenen, neemt het ter harte; Anders verscheur Ik u, en er is niemand, die u zal redden!
no verse 22 in this text
23Wie een loflied offert, eert Mij waarachtig, En wie deugdzaam leeft, hem toon Ik Gods heil!
no verse 23 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.