Psalmen 90
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Een gebed van Moses, den man Gods. Heer, Gij waart ons een schuts van geslacht tot geslacht,
1Laus cantici David. [Qui habitat in adjutorio Altissimi, in protectione Dei cæli commorabitur.
2Voordat de bergen waren geboren; Eer aarde en wereld werden gebaard, Zijt Gij, o God, in de eeuwen der eeuwen!
2Dicet Domino: Susceptor meus es tu, et refugium meum; Deus meus, sperabo in eum.
3Maar de mensen laat Gij tot stof vergaan, En zegt: Keert er toe terug, gij kinderen der mensen!
3Quoniam ipse liberavit me de laqueo venantium, et a verbo aspero.
4Ja, duizend jaren zijn als de dag van gisteren in uw oog, En als een nachtwaak, wanneer ze voorbij is.
4Scapulis suis obumbrabit tibi, et sub pennis ejus sperabis.
5Gij laat ze verdwijnen als slaap in de morgen, En als het welig tierende gras,
5Scuto circumdabit te veritas ejus: non timebis a timore nocturno;
6Dat ‘s morgens opgroeit en bloeit, Maar ‘s avonds verwelkt en verdort.
6a sagitta volante in die, a negotio perambulante in tenebris, ab incursu, et dæmonio meridiano.
7Want wij komen om door uw toorn, Verdwijnen plotseling door uw gramschap.
7Cadent a latere tuo mille, et decem millia a dextris tuis; ad te autem non appropinquabit.
8Gij hebt U onze zonden voor ogen gesteld, Onze geheime fouten in het licht van uw aanschijn:
8Verumtamen oculis tuis considerabis, et retributionem peccatorum videbis.
9Zo snellen door uw toorn onze dagen voorbij, En vliegen onze jaren heen als een zucht.
9Quoniam tu es, Domine, spes mea; Altissimum posuisti refugium tuum.
10Ons leven duurt maar zeventig jaren, Of zijn we krachtig, tachtig jaar. Het meeste daarvan is nog onheil en jammer, Want de verzwakking komt snel, en dan vlieden we heen.
10Non accedet ad te malum, et flagellum non appropinquabit tabernaculo tuo.
11Ach, mochten we toch de kracht van uw gramschap beseffen, En uw toorn leren vrezen!
11Quoniam angelis suis mandavit de te, ut custodiant te in omnibus viis tuis.
12Leer ons dan zó onze dagen tellen, Dat we er verstandig van harte door worden.
12In manibus portabunt te, ne forte offendas ad lapidem pedem tuum.
13Ach Jahweh, wend U eindelijk toch eens tot ons, En ontferm U over uw dienaars;
13Super aspidem et basiliscum ambulabis, et conculcabis leonem et draconem.
14Verzadig ons met uw genade, als we nog jong zijn, Opdat we heel ons leven mogen jubelen en juichen.
14Quoniam in me speravit, liberabo eum; protegam eum, quoniam cognovit nomen meum.
15Geef ons vreugde, even lang als Gij ons hebt gekastijd; Evenveel jaren als wij ellende doorstonden.
15Clamabit ad me, et ego exaudiam eum; cum ipso sum in tribulatione: eripiam eum, et glorificabo eum.
16Laat uw dienaars uw machtige daden aanschouwen, En hun kinderen uw glorie!
16Longitudine dierum replebo eum, et ostendam illi salutare meum.]
17Moge de goedheid van Jahweh, onzen God, met ons blijven, En het werk onzer handen doen gedijen!
no verse 17 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.