Psalmen 94
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Jahweh, wrekende God, God der wrake, treed op;
1Laus cantici ipsi David. [Venite, exsultemus Domino; jubilemus Deo salutari nostro;
2Verhef U, Rechter der aarde, Vergeld de trotsen wat ze verdienen!
2præoccupemus faciem ejus in confessione, et in psalmis jubilemus ei:
3Hoelang nog zullen de zondaars, o Jahweh, Hoelang nog zullen de boosdoeners juichen?
3quoniam Deus magnus Dominus, et rex magnus super omnes deos.
4Al die booswichten pochen en snoeven, En een hoge toon slaan ze aan!
4Quia in manu ejus sunt omnes fines terræ, et altitudines montium ipsius sunt;
5Jahweh, ze vertrappen uw volk, En verdrukken uw erfdeel;
5quoniam ipsius est mare, et ipse fecit illud, et siccam manus ejus formaverunt.
6Ze doden weduwen en wezen, Vermoorden die bij ons kwamen wonen.
6Venite, adoremus, et procidamus, et ploremus ante Dominum qui fecit nos:
7En dan zeggen ze nog: Jahweh ziet het niet eens, De God van Jakob merkt het niet!
7quia ipse est Dominus Deus noster, et nos populus pascuæ ejus, et oves manus ejus.
8Domme kudde, word toch verstandig; Gij dwazen, wanneer wordt gij wijs?
8Hodie si vocem ejus audieritis, nolite obdurare corda vestra
9Zou Hij het niet horen, die het oor heeft geplant, Niet zien, die het oog heeft geschapen;
9sicut in irritatione, secundum diem tentationis in deserto, ubi tentaverunt me patres vestri: probaverunt me, et viderunt opera mea.
10Zou Hij, die de volkeren tuchtigt, niet straffen, Onwetend zijn, die den mens onderricht?
10Quadraginta annis offensus fui generationi illi, et dixi: Semper hi errant corde.
11Neen, Jahweh kent de gedachten der mensen, Hij weet, dat het hersenschimmen zijn.
11Et isti non cognoverunt vias meas: ut juravi in ira mea: Si introibunt in requiem meam.]
12Jahweh, gelukkig de man, dien Gij onderricht, En dien Gij leert uit uw wet:
no verse 12 in this text
13Hoe hij gelaten moet zijn in dagen van rampspoed, Totdat voor den boze het graf is gedolven;
no verse 13 in this text
14Hoe Jahweh zijn volk niet verstoot, En nooit zijn erfdeel verlaat;
no verse 14 in this text
15Hoe de brave zijn recht weer verkrijgt, Alle oprechten van hart weer geluk!
no verse 15 in this text
16Wie anders neemt het voor mij tegen de boosdoeners op, Wie staat mij tegen de booswichten bij?
no verse 16 in this text
17Wanneer Jahweh mij niet te hulp was gekomen, Dan lag ik misschien al lang in het graf.
no verse 17 in this text
18Maar als ik denk: nú wankelt mijn voet, Dan steunt mij uw goedheid, o Jahweh;
no verse 18 in this text
19En wanneer zware zorgen mij innerlijk drukken, Dan verkwikt uw vertroosting mijn ziel.
no verse 19 in this text
20Zoudt Gij iets gemeen hebben met de zetel van onrecht, Die onheil sticht op gezag van de wet;
no verse 20 in this text
21Met hen, die het leven der braven belagen, En onschuldig bloed durven straffen?
no verse 21 in this text
22Neen, voor mij is Jahweh een toevlucht, Mijn God een veilige Rots;
no verse 22 in this text
23Maar hùn vergeldt Hij hun onrecht, En vernielt ze om hun boosheid: Jahweh, onze God!
no verse 23 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.