Psalmen 94
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Jahweh, wrekende God, God der wrake, treed op;
1O SIGNORE Iddio delle vendette; O Dio delle vendette, apparisci in gloria.
2Verhef U, Rechter der aarde, Vergeld de trotsen wat ze verdienen!
2Innalzati, o Giudice della terra; Rendi la retribuzione ai superbi.
3Hoelang nog zullen de zondaars, o Jahweh, Hoelang nog zullen de boosdoeners juichen?
3Infino a quando, o Signore, Infino a quando trionferanno gli empi?
4Al die booswichten pochen en snoeven, En een hoge toon slaan ze aan!
4Infino a quando sgorgheranno parole dure? Infino a quando si vanteranno tutti gli operatori d'iniquità?
5Jahweh, ze vertrappen uw volk, En verdrukken uw erfdeel;
5Signore, essi tritano il tuo popolo, Ed affliggono la tua eredità;
6Ze doden weduwen en wezen, Vermoorden die bij ons kwamen wonen.
6Uccidono la vedova e il forestiere, Ed ammazzano gli orfani;
7En dan zeggen ze nog: Jahweh ziet het niet eens, De God van Jakob merkt het niet!
7E dicono: Il Signore non ne vede, E l'Iddio di Giacobbe non ne intende nulla .
8Domme kudde, word toch verstandig; Gij dwazen, wanneer wordt gij wijs?
8O voi i più stolti del popolo, intendete; E voi pazzi, quando sarete savi?
9Zou Hij het niet horen, die het oor heeft geplant, Niet zien, die het oog heeft geschapen;
9Colui che ha piantata l'orecchia non udirebbe egli? Colui che ha formato l'occhio non riguarderebbe egli?
10Zou Hij, die de volkeren tuchtigt, niet straffen, Onwetend zijn, die den mens onderricht?
10Colui che gastiga le genti, Che insegna il conoscimento agli uomini, non correggerebbe egli?
11Neen, Jahweh kent de gedachten der mensen, Hij weet, dat het hersenschimmen zijn.
11Il Signore conosce i pensieri degli uomini, E sa che son vanità.
12Jahweh, gelukkig de man, dien Gij onderricht, En dien Gij leert uit uw wet:
12Beato l'uomo il qual tu correggi, Signore, Ed ammaestri per la tua Legge;
13Hoe hij gelaten moet zijn in dagen van rampspoed, Totdat voor den boze het graf is gedolven;
13Per dargli riposo, liberandolo da' giorni dell'avversità, Mentre è cavata la fossa all'empio.
14Hoe Jahweh zijn volk niet verstoot, En nooit zijn erfdeel verlaat;
14Perciocchè il Signore non lascerà il suo popolo, E non abbandonerà la sua eredità.
15Hoe de brave zijn recht weer verkrijgt, Alle oprechten van hart weer geluk!
15Perciocchè il giudicio ritornerà a giustizia, E dietro a lui saranno tutti quelli che son diritti di cuore.
16Wie anders neemt het voor mij tegen de boosdoeners op, Wie staat mij tegen de booswichten bij?
16Chi si leverà per me contro a' maligni? Chi si presenterà per me contro agli operatori d'iniquità?
17Wanneer Jahweh mij niet te hulp was gekomen, Dan lag ik misschien al lang in het graf.
17Se il Signore non fosse stato mio aiuto, Per poco l'anima mia sarebbe stata stanziata nel silenzio.
18Maar als ik denk: nú wankelt mijn voet, Dan steunt mij uw goedheid, o Jahweh;
18Quando io ho detto: Il mio piè vacilla; La tua benignità, o Signore, mi ha sostenuto.
19En wanneer zware zorgen mij innerlijk drukken, Dan verkwikt uw vertroosting mijn ziel.
19Quando io sono stato in gran pensieri dentro di me, Le tue consolazioni han rallegrata l'anima mia.
20Zoudt Gij iets gemeen hebben met de zetel van onrecht, Die onheil sticht op gezag van de wet;
20Il seggio delle malizie che forma iniquità in luogo di statuti, Potrebbe egli esserti congiunto?
21Met hen, die het leven der braven belagen, En onschuldig bloed durven straffen?
21Essi corrono a schiere contro all'anima del giusto, E condannano il sangue innocente.
22Neen, voor mij is Jahweh een toevlucht, Mijn God een veilige Rots;
22Ma il Signore mi è in vece d'alto ricetto; E l'Iddio mio in vece di rocca di confidanza.
23Maar hùn vergeldt Hij hun onrecht, En vernielt ze om hun boosheid: Jahweh, onze God!
23Ed egli farà lor tornare addosso la loro iniquità, E li distruggerà per la lor propria malizia; Il Signore Iddio nostro li distruggerà.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.