Psalmen 68
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Voor muziekbegeleiding van David. Een psalm; een lied. God staat op: zijn vijanden stuiven uiteen, Zijn haters vluchten voor Hem weg!
1LEVISI Iddio, e i suoi nemici saranno dispersi; E quelli che l'odiano fuggiranno d'innanzi al suo cospetto.
2Zoals rook spoorloos verdwijnt, En was wegsmelt in vuur, Zo vergaan de bozen Voor het aanschijn van God.
2Tu li dissiperai come si dissipa il fumo; Gli empi periranno per la presenza di Dio, Come la cera è strutta per lo fuoco.
3Maar de rechtvaardigen mogen juichen en jubelen, Zich verheugen en verblijden in God!
3Ma i giusti si rallegreranno, e trionferanno nel cospetto di Dio; E gioiranno con letizia.
4Zingt God ter ere, en verheerlijkt zijn Naam, Jubelt voor Hem, die door de woestijn kwam gereden; Verheugt u in Jahweh, En juicht voor zijn aanschijn!
4Cantate a Dio, salmeggiate il suo Nome, Rilevate le strade a colui che cavalca per luoghi deserti; Egli si chiama per nome: Il Signore; e festeggiate davanti a lui.
5Hij is de Vader der wezen, de Beschermer der weduwen, Hij is God in zijn heilige tent;
5Egli è il padre degli orfani, e il giudice delle vedove; Iddio nell'abitacolo della sua santità;
6God, die de eenzame zwervers naar huis geleidde, Maar de weerspannigen bleven in de wildernis achter!
6Iddio, che fa abitare in famiglia quelli ch'erano soli; Che trae fuori quelli ch'erano prigioni ne' ceppi; Ma fa' che i ribelli dimorano in terra deserta.
7Bij uw uittocht, o God, aan de spits van uw volk, En bij uw opmars door de woestijn:
7O Dio, quando tu uscisti davanti al tuo popolo, Quando tu camminasti per lo deserto; (Sela.)
8Beefde de aarde, dropen de hemelen voor het aanschijn van God, Rilde de Sinaï voor het aanschijn van Jahweh, Israëls God!
8La terra tremò, i cieli eziandio gocciolarono, per la presenza di Dio; Sinai stesso, per la presenza di Dio, dell'Iddio d'Israele.
9Een regen van gaven hebt Gij uitgestort, o God, En toen uw erfdeel uitgeput was, hebt Gij het gesterkt;
9O Dio, tu spandi la pioggia delle liberalità sopra la tua eredità; E, quando è travagliata, tu la ristori.
10Uw beesten lieten zich onder hen neer, De uitgehongerden hebt Gij, o God, in uw goedheid verkwikt.
10In essa dimora il tuo stuolo; O Dio, per la tua bontà, tu l 'hai apparecchiata per i poveri afflitti.
11Toen heeft de Heer zijn belofte vervuld, En een leger van vrouwen kwam het blijde verkonden:
11Il Signore ha dato materia di parlare; Quelle che hanno recate le buone novelle, sono state una grande schiera.
12Machtige koningen slaan met haast op de vlucht, En het schone geslacht verdeelt de buit!
12Fuggiti, fuggiti se ne sono i re degli eserciti; E quelle che dimoravano in casa hanno spartite le spoglie.
13Nu moogt gij gaan rusten in uw beemden: Zilverwit als de vleugels der duif, met goud overtrokken;
13Quando giacerete in mezzo agli ovili, Sarete come le ale di una colomba, coperta d'argento, Le cui penne son gialle d'oro.
14Want de Almachtige heeft de koningen verstrooid, Zoals het sneeuwt op de Salmon!
14Dopo che l'Onnipotente ebbe dispersi i re in quella, La terra fu come quando è nevicato in Salmon.
15Bergen van Basjan, godengebergte met uw spitsen:
15O monte di Dio, o monte di Basan, O monte di molti gioghi, o monte di Basan!
16Bergen en toppen, waarom kijkt gij scheel Naar de berg, die God tot woonplaats verkoos, En waar Jahweh eeuwig zal wonen?
16Perchè saltellate voi, o monti di molti gioghi? Iddio desidera questo monte per sua stanza; Anzi il Signore abiterà quivi in perpetuo.
17Op de wagens van God: tienduizenden, duizend maal duizend, Trokt Gij van de Sinaï uw heiligdom binnen, o Heer;
17La cavalleria di Dio cammina a doppie decine di migliaia, A doppie migliaia; Il Signore è fra essi; Sinai è nel santuario.
18Gij hebt de hoogte beklommen, De gevangenen meegevoerd, Van de mensen geschenken aanvaard, Van weerspannigen zelfs, voor de woonplaats van God!
18Tu sei salito in alto, tu ne hai menato in cattività numero di prigioni; Tu hai presi doni d'infra gli uomini, Eziandio ribelli, per far ora una ferma dimora, o Signore Iddio.
19Geloofd zij de Heer, die ons altijd beschermt, de God van ons heil;
19Benedetto sia il Signore, il quale ogni giorno ci colma di beni ; Egli è l'Iddio della nostra salute. (Sela.)
20Gij, die ons redt; Jahweh, die nog uitwegen kent van de dood;
20Iddio è l'Iddio nostro, per salvarci; Ed al Signore Iddio appartengono le uscite della morte.
21God, die de kop van zijn vijand verplettert, De harde schedel van hem, die in ongerechtigheid leeft!
21Certo Iddio trafiggerà il capo de' suoi nemici. La sommità del capo irsuto di chi cammina ne' suoi peccati.
22De Heer heeft gezegd: Ik sleep ze uit Basjan, Haal ze naar boven uit de diepten der zee,
22Il Signore ha detto: Io ti trarrò di Basan, Ti trarrò dal fondo del mare;
23Opdat gij in hun bloed met uw voeten kunt plassen, Ook de tong van uw honden haar deel van de vijanden krijgt!
23Acciocchè il tuo piè, e la lingua de' tuoi cani Si affondi nel sangue de' nemici, e del capo stesso .
24Ziet, daar nadert de feeststoet van God, De feeststoet naar het heiligdom van mijn God en mijn Koning!
24O Dio, le tue andature si son vedute; Le andature dell'Iddio, e Re mio, nel luogo santo.
25Voorop gaan de zangers, de harpspelers volgen;
25Cantori andavano innanzi, e sonatori dietro; E nel mezzo vergini che sonavano tamburi, dicendo:
26In het midden de maagden met pauken: in koren loven ze God. Dan de heersers, uit Israëls bronnen ontsprongen:
26Benedite Iddio nelle raunanze; Benedite il Signore, voi che siete della fonte d'Israele.
27Benjamin de jongste vooraan, Met de vorsten van Juda in machtige drommen, En de vorsten van Zabulon en Neftali’s vorsten!
27Ivi era il piccolo Beniamino, che ha signoreggiato sopra essi; I capi di Giuda, colle loro schiere; I capi di Zabulon, i capi di Neftali.
28Toon nu uw almacht, o God, die Gij ons hebt betuigd,
28L'Iddio tuo ha ordinata la tua fortezza; Rinforza, o Dio, ciò che tu hai operato inverso noi.
29Van uw heiligdom uit voor Jerusalems heil! Laat koningen U geschenken brengen:
29Rinforzalo dal tuo Tempio, di sopra a Gerusalemme; Fa' che i re ti portino presenti.
30Jonge schapen, kudden stieren en kalveren uit Patros; Met staven van zilver en goud Als vrijwillige schatting der volken;
30Disperdi le fiere delle giuncaie, La raunanza de' possenti tori, e i giovenchi d'infra i popoli, I quali si prostrano con monete d'argento; Dissipa i popoli che si dilettano in guerre.
31Laat Egypte zijn vette gaven brengen, Koesj zijn handen vullen voor God!
31Vengano gran signori di Egitto; Accorrano gli Etiopi a Dio, colle mani piene .
32Koninkrijken der aarde, zingt ter ere van God, En stemt een loflied aan voor den Heer:
32O regni della terra, cantate a Dio; Salmeggiate al Signore; (Sela.)
33Die de hoogste hemel der hemelen bestijgt, En met zijn stem de machtige donder doet rollen!
33A colui che cavalca sopra i cieli de' cieli eterni; Ecco, egli tuona potentemente colla sua voce.
34Geeft glorie aan Israëls God, Wiens macht en kracht in de wolken reikt!
34Date gloria a Dio; La sua magnificenza è sopra Israele, e la sua gloria ne' cieli.
35Ontzaglijk is God in zijn heilige woning: Hij, Israëls God, Die kracht en sterkte geeft aan het volk: Gezegend zij God!
35O Dio, tu sei tremendo da' tuoi santuari; L'Iddio d'Israele è quel che dà valore e forze al popolo. Benedetto sia Iddio.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.