Psalmen
Chapter 104
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Halleluja! Loof Jahweh, mijn ziel: Jahweh, mijn God, hoog zijt Gij verheven! Gij hebt U met glorie en luister omkleed,
1BENEDICI, anima mia, il Signore; O Signore Iddio mio, tu sei sommamente grande; Tu sei vestito di gloria e di magnificenza.
2En hult U in het licht als een mantel; Gij spant de hemelen uit als een tent,
2Egli si ammanta di luce come di una vesta; Egli tende il cielo come una cortina.
3En legt op de wateren uw opperzalen. Gij maakt van de wolken uw wagen, Zweeft op de vleugels van de wind;
3Egli fa i palchi delle sue sale nelle acque; Egli pone le nuvole per suo carro: Egli passeggia sopra le ale del vento.
4Stelt de stormen aan tot uw boden, Laaiend vuur tot uw knechten.
4Egli fa i venti suoi Angeli, E il fuoco divampante suoi ministri.
5Gij hebt de aarde op haar pijlers gegrond, Zodat ze voor eeuwig niet wankelt.
5Egli ha fondata la terra sulle sue basi; Giammai in perpetuo non sarà smossa.
6De Oceaan bedekte haar als een kleed, Nog boven de bergen stonden de wateren:
6Tu l'avevi già coperta dell'abisso, come d'una vesta; Le acque si erano fermate sopra i monti.
7Maar ze namen de vlucht voor uw dreigen, Rilden van angst voor de stem van uw donder;
7Esse fuggirono per lo tuo sgridare; Si affrettarono per la voce del tuo tuono;
8Toen rezen de bergen, en zonken de dalen Op de plaats, die Gij hun hadt bestemd.
8Erano salite sopra i monti; ma discesero nelle valli, Al luogo che tu hai loro costituito.
9Gij hebt ze grenzen gesteld, die ze niet overschreden, Ze mochten niet meer de aarde bedekken;
9Tu hai loro posto un termine, il qual non trapasseranno; E non torneranno a coprir la terra.
10Gij zendt de bronnen in de dalen, En tussen de bergen stromen ze voort;
10Egli è quel che manda le fonti per le valli, Onde esse corrono fra i monti;
11Ze laven al de wilde dieren, En de woudezel lest er zijn dorst;
11Abbeverano tutte le bestie della campagna; Gli asini salvatichi spengono la lor sete con esse .
12Daar nestelen de vogels uit de lucht, En fluiten er tussen de struiken.
12Presso a quelle si riparano gli uccelli del cielo; Fanno sentir di mezzo alle frondi le lor voci.
13Uit uw zalen drenkt Gij de bergen, Door het sap van uw nevel wordt de aarde verzadigd;
13Egli adacqua i monti dalle sue stanze sovrane; La terra è saziata del frutto delle sue opere.
14Gij laat voor het vee het gras ontspruiten, En het groen voor wat de mensen dient. Gij roept het graan uit de aarde te voorschijn,
14Egli fa germogliar l'erba per le bestie; E l'erbaggio per lo servigio dell'uomo, Facendo uscire della terra il pane.
15En de wijn, die het hart van de mensen verheugt; Olie, om het gelaat te doen glanzen, Brood, dat het hart van de mensen verkwikt.
15Egli rallegra il cuor dell'uomo col vino, Egli fa risplender la faccia coll'olio, E sostenta il cuor dell'uomo col pane.
16Jahweh’s bomen drinken zich vol, De Libanon-ceders, die Hij heeft geplant:
16Gli alberi del Signore ne son saziati; I cedri del Libano ch'egli ha piantati;
17Waar de vogels zich nestelen, In wier toppen de ooievaar woont.
17Dove gli uccelli si annidano; Gli abeti, che son la stanza della cicogna.
18De hoogste bergen zijn voor de gemzen, De klippen een schuilplaats voor bokken.
18Gli alti monti sono per li cavriuoli; Le rocce sono il ricetto de' conigli.
19Gij schiept de maan, om de tijd te bepalen, De zon weet, wanneer ze onder moet gaan.
19Egli ha fatta la luna per le stagioni; Il sole conosce il suo occaso.
20Maakt Gij het donker, dan wordt het nacht, En sluipen de wilde beesten rond,
20Tu mandi le tenebre, ed e' si fa notte, Nella quale tutte le fiere delle selve vanno attorno.
21Brullen de leeuwen om buit, En vragen God om hun voedsel.
21I leoncelli rugghiano dietro alla preda, E per chiedere a Dio il lor pasto.
22De zon gaat op: ze kruipen weg, En leggen zich neer in hun holen;
22Ma, tosto ch 'è levato il sole, si raccolgono, E giacciono ne' lor ricetti.
23Maar de mens tijgt aan zijn werk, En aan zijn arbeid tot aan de avond.
23Allora l'uomo esce alla sua opera, Ed al suo lavoro, infino alla sera.
24Hoe ontzaglijk zijn uw werken, o Jahweh: Gij hebt ze allen met wijsheid gewrocht! De aarde is vol van uw schepselen,
24Quanto grandi sono, o Signore, le tue opere! Tu le hai tutte fatte con sapienza; La terra è piena de' tuoi beni.
25Niet minder de zee; Die is groot en geweldig, En het wemelt daarin zonder tal: Beesten, kleine en grote,
25Ecco, il mar grande ed ampio: Quivi son rettili senza numero, Amimali piccoli e grandi.
26Monsters trekken er door, Liwjatan dien Gij hebt geschapen, Om er mede te spelen.
26Quivi nuotano le navi, E il Leviatan che tu hai formato per ischerzare in esso.
27Allen zien naar U uit, Om voedsel, elk op zijn tijd.
27Tutti gli animali sperano in te, Che tu dii loro il lor cibo al suo tempo.
28Geeft Gij het: ze eten het op; Gij opent uw hand: ze worden van het goede verzadigd.
28Se tu lo dài loro, lo ricolgono; Se tu apri la tua mano, son saziati di beni.
29Maar verbergt Gij uw aanschijn: Ze verstarren van schrik; Gij ontneemt hun de adem: Ze sterven en keren terug tot hun stof.
29Se tu nascondi la tua faccia, sono smarriti; Se tu ritiri il fiato loro, trapassano, E ritornano nella lor polvere.
30Maar Gij zendt weer uw geest: en ze worden geschapen, En Gij vernieuwt het aanschijn der aarde!
30Se tu rimandi il tuo spirito son creati; E tu rinnuovi la faccia della terra.
31Eeuwig dure de glorie van Jahweh, En blijve Jahweh Zich in zijn werken verheugen;
31Sia la gloria del Signore in eterno; Rallegrisi il Signore nelle sue opere;
32Hij, die de aarde beziet: en ze beeft; Die de bergen aanraakt: ze roken!
32Il quale se riguarda verso la terra, ella trema; Se tocca i monti, essi fumano.
33Heel mijn leven zal ik zingen voor Jahweh, Mijn God blijven loven, zolang ik besta!
33Io canterò al Signore, mentre viverò; Io salmeggerò all'Iddio mio, tanto che io durerò.
34Moge mijn zang Hèm behagen, En ìk mij in Jahweh verblijden;
34Il mio ragionamento gli sarà piacevole, Io mi rallegrerò nel Signore.
35Maar mogen de zondaars van de aarde verdwijnen, En de goddelozen niet blijven bestaan! Loof Jahweh, mijn ziel!
35Vengano meno i peccatori d'in su la terra, E gli empi non sieno più. Anima mia, benedici il Signore. Alleluia.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.