Psalmen 104
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Halleluja! Loof Jahweh, mijn ziel: Jahweh, mijn God, hoog zijt Gij verheven! Gij hebt U met glorie en luister omkleed,
1Lobe den HERRN, meine Seele! HERR, mein Gott, du bist sehr herrlich; du bist schön und prächtig geschmückt.
2En hult U in het licht als een mantel; Gij spant de hemelen uit als een tent,
2Licht ist dein Kleid, das du anhast; du breitest aus den Himmel wie einen Teppich;
3En legt op de wateren uw opperzalen. Gij maakt van de wolken uw wagen, Zweeft op de vleugels van de wind;
3Du wölbest es oben mit Wasser; du fährst auf den Wolken wie auf einem Wagen und gehst auf den Fittichen des Windes;
4Stelt de stormen aan tot uw boden, Laaiend vuur tot uw knechten.
4der du machst Winde zu deinen Engeln und zu deinen Dienern Feuerflammen;
5Gij hebt de aarde op haar pijlers gegrond, Zodat ze voor eeuwig niet wankelt.
5der du das Erdreich gegründet hast auf seinem Boden, daß es bleibt immer und ewiglich.
6De Oceaan bedekte haar als een kleed, Nog boven de bergen stonden de wateren:
6Mit der Tiefe deckst du es wie mit einem Kleide, und Wasser standen über den Bergen.
7Maar ze namen de vlucht voor uw dreigen, Rilden van angst voor de stem van uw donder;
7Aber von deinem Schelten flohen sie, von deinem Donner fuhren sie dahin.
8Toen rezen de bergen, en zonken de dalen Op de plaats, die Gij hun hadt bestemd.
8Die Berge gingen hoch hervor, und die Täler setzten sich herunter zum Ort, den du ihnen gegründet hast.
9Gij hebt ze grenzen gesteld, die ze niet overschreden, Ze mochten niet meer de aarde bedekken;
9Du hast eine Grenze gesetzt, darüber kommen sie nicht und dürfen nicht wiederum das Erdreich bedecken.
10Gij zendt de bronnen in de dalen, En tussen de bergen stromen ze voort;
10Du läßt Brunnen quellen in den Gründen, daß die Wasser zwischen den Bergen hinfließen,
11Ze laven al de wilde dieren, En de woudezel lest er zijn dorst;
11daß alle Tiere auf dem Felde trinken und das Wild seinen Durst lösche.
12Daar nestelen de vogels uit de lucht, En fluiten er tussen de struiken.
12An denselben sitzen die Vögel des Himmels und singen unter den Zweigen.
13Uit uw zalen drenkt Gij de bergen, Door het sap van uw nevel wordt de aarde verzadigd;
13Du feuchtest die Berge von obenher; du machst das Land voll Früchte, die du schaffest;
14Gij laat voor het vee het gras ontspruiten, En het groen voor wat de mensen dient. Gij roept het graan uit de aarde te voorschijn,
14du lässest Gras wachsen für das Vieh und Saat zu Nutz den Menschen, daß du Brot aus der Erde bringest,
15En de wijn, die het hart van de mensen verheugt; Olie, om het gelaat te doen glanzen, Brood, dat het hart van de mensen verkwikt.
15und daß der Wein erfreue des Menschen Herz, daß seine Gestalt schön werde vom Öl und das Brot des Menschen Herz stärke;
16Jahweh’s bomen drinken zich vol, De Libanon-ceders, die Hij heeft geplant:
16daß die Bäume des HERRN voll Saft stehen, die Zedern Libanons, die er gepflanzt hat.
17Waar de vogels zich nestelen, In wier toppen de ooievaar woont.
17Daselbst nisten die Vögel, und die Reiher wohnen auf den Tannen.
18De hoogste bergen zijn voor de gemzen, De klippen een schuilplaats voor bokken.
18Die hohen Berge sind der Gemsen Zuflucht, und die Steinklüfte der Kaninchen.
19Gij schiept de maan, om de tijd te bepalen, De zon weet, wanneer ze onder moet gaan.
19Du hast den Mond gemacht, das Jahr darnach zu teilen; die Sonne weiß ihren Niedergang.
20Maakt Gij het donker, dan wordt het nacht, En sluipen de wilde beesten rond,
20Du machst Finsternis, daß es Nacht wird; da regen sich alle wilden Tiere,
21Brullen de leeuwen om buit, En vragen God om hun voedsel.
21die jungen Löwen, die da brüllen nach dem Raub und ihre Speise suchen von Gott.
22De zon gaat op: ze kruipen weg, En leggen zich neer in hun holen;
22Wenn aber die Sonne aufgeht, heben sie sich davon und legen sich in ihre Höhlen.
23Maar de mens tijgt aan zijn werk, En aan zijn arbeid tot aan de avond.
23So geht dann der Mensch aus an seine Arbeit und an sein Ackerwerk bis an den Abend.
24Hoe ontzaglijk zijn uw werken, o Jahweh: Gij hebt ze allen met wijsheid gewrocht! De aarde is vol van uw schepselen,
24HERR, wie sind deine Werke so groß und viel! Du hast sie alle weislich geordnet, und die Erde ist voll deiner Güter.
25Niet minder de zee; Die is groot en geweldig, En het wemelt daarin zonder tal: Beesten, kleine en grote,
25Das Meer, das so groß und weit ist, da wimmelt's ohne Zahl, große und kleine Tiere.
26Monsters trekken er door, Liwjatan dien Gij hebt geschapen, Om er mede te spelen.
26Daselbst gehen die Schiffe; da sind Walfische, die du gemacht hast, daß sie darin spielen.
27Allen zien naar U uit, Om voedsel, elk op zijn tijd.
27Es wartet alles auf dich, daß du ihnen Speise gebest zu seiner Zeit.
28Geeft Gij het: ze eten het op; Gij opent uw hand: ze worden van het goede verzadigd.
28Wenn du ihnen gibst, so sammeln sie; wenn du deine Hand auftust, so werden sie mit Gut gesättigt.
29Maar verbergt Gij uw aanschijn: Ze verstarren van schrik; Gij ontneemt hun de adem: Ze sterven en keren terug tot hun stof.
29Verbirgst du dein Angesicht, so erschrecken sie; du nimmst weg ihren Odem, so vergehen sie und werden wieder zu Staub.
30Maar Gij zendt weer uw geest: en ze worden geschapen, En Gij vernieuwt het aanschijn der aarde!
30Du lässest aus deinen Odem, so werden sie geschaffen, und du erneuest die Gestalt der Erde.
31Eeuwig dure de glorie van Jahweh, En blijve Jahweh Zich in zijn werken verheugen;
31Die Ehre des HERRN ist ewig; der HERR hat Wohlgefallen an seinen Werken.
32Hij, die de aarde beziet: en ze beeft; Die de bergen aanraakt: ze roken!
32Er schaut die Erde an, so bebt sie; er rührt die Berge an, so rauchen sie.
33Heel mijn leven zal ik zingen voor Jahweh, Mijn God blijven loven, zolang ik besta!
33Ich will dem HERRN singen mein Leben lang und meinen Gott loben, solange ich bin.
34Moge mijn zang Hèm behagen, En ìk mij in Jahweh verblijden;
34Meine Rede müsse ihm wohl gefallen. Ich freue mich des HERRN.
35Maar mogen de zondaars van de aarde verdwijnen, En de goddelozen niet blijven bestaan! Loof Jahweh, mijn ziel!
35Der Sünder müsse ein Ende werden auf Erden, und die Gottlosen nicht mehr sein. Lobe den HERRN, meine Seele! Halleluja!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.