Psalmen 109
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Mijn God, tot wien mijn loflied klinkt, Zwijg toch niet stil!
1Ein Psalm Davids, vorzusingen. Gott, mein Ruhm, schweige nicht!
2Want men zet een mond vol boosheid en bedrog tegen mij op, En belastert mij met leugentongen;
2Denn sie haben ihr gottloses und falsches Maul gegen mich aufgetan und reden wider mich mit falscher Zunge;
3Men bestookt mij met woorden van haat, En bestrijdt mij zonder enige grond;
3und sie reden giftig wider mich allenthalben und streiten wider mich ohne Ursache.
4Men belaagt mij tot loon voor mijn liefde, En tot loon voor mijn bidden;
4Dafür, daß ich sie liebe, sind sie wider mich; ich aber bete.
5Men vergeldt mij kwaad voor goed, En haat voor mijn liefde.
5Sie beweisen mir Böses um Gutes und Haß um Liebe.
6Stel een gewetenloos rechter over hem aan, En aan zijn rechterhand trede een valse aanklager op;
6Setze Gottlose über ihn; und der Satan müsse stehen zu seiner Rechten.
7Voor het gerecht worde hij schuldig bevonden, En smeke hij tevergeefs om genade.
7Wenn er gerichtet wird, müsse er verdammt ausgehen, und sein Gebet müsse Sünde sein.
8Mogen zijn dagen maar kort zijn, En zijn ambt aan een ander vervallen.
8Seiner Tage müssen wenige werden, und sein Amt müsse ein anderer empfangen.
9Zijn kinderen mogen wezen, Zijn vrouw een weduwe worden;
9Seine Kinder müssen Waisen werden und sein Weib eine Witwe.
10Mogen zijn zonen als bedelaars zwerven, Zelfs uit hun krotten worden verjaagd.
10Seine Kinder müssen in der Irre gehen und betteln und suchen, als die verdorben sind.
11De woekeraar legge beslag op heel zijn bezit, En vreemden mogen met zijn verdiensten gaan strijken.
11Es müsse der Wucherer aussaugen alles, was er hat; und Fremde müssen seine Güter rauben.
12Laat niemand zich zijner ontfermen, Niemand zich over zijn wezen erbarmen;
12Und niemand müsse ihm Gutes tun, und niemand erbarme sich seiner Waisen.
13Laat zijn kroost ten ondergang worden gedoemd, Zijn naam al verdwijnen in het eerste geslacht.
13Seine Nachkommen müssen ausgerottet werden; ihr Name werde im andern Glied vertilgt.
14Moge Jahweh de misdaad zijner vaderen gedenken, En de schuld van zijn moeder nooit worden gedelgd;
14Seiner Väter Missetat müsse gedacht werden vor dem HERRN, und seiner Mutter Sünde müsse nicht ausgetilgt werden.
15Jahweh houde ze altijd voor ogen, Zodat zelfs hun aandenken van de aarde verdwijnt.
15Der HERR müsse sie nimmer aus den Augen lassen, und ihr Gedächtnis müsse ausgerottet werden auf Erden,
16Want hij dacht er niet aan, barmhartig te zijn, Maar vervolgde den ellendige, arme en bedroefde ten dode.
16darum daß er so gar keine Barmherzigkeit hatte, sondern verfolgte den Elenden und Armen und Betrübten, daß er ihn tötete.
17Hij hield van vervloeking: die treffe hem dan; Geen zegen wilde hij spreken: die blijve hem verre!
17Und er wollte den Fluch haben, der wird ihm auch kommen; er wollte den Segen nicht, so wird er auch ferne von ihm bleiben.
18De vloek trok hij aan als een kleed: Die dringe hem als water in het lijf, als olie in zijn gebeente;
18Er zog an den Fluch wie sein Hemd; der ist in sein Inwendiges gegangen wie Wasser, und wie Öl in seine Gebeine;
19Die worde de mantel, waarin hij zich hult, De gordel, die hij altijd moet dragen.
19So werde er ihm wie ein Kleid, das er anhabe, und wie ein Gürtel, mit dem er allewege sich gürte.
20Zó moge Jahweh mijn haters vergelden, En die laag van mij lasteren!
20So geschehe denen vom HERRN, die mir zuwider sind und reden Böses wider meine Seele.
21Maar treed Gìj voor mij op, o Jahweh, mijn Heer, En red mij omwille van uw Naam naar de rijkdom uwer genade!
21Aber du, HERR Herr, sei du mit mir um deines Namens willen; denn deine Gnade ist mein Trost: errette mich!
22Want ik ben arm en ellendig, En mijn hart krimpt ineen in mijn borst;
22Denn ich bin arm und elend; mein Herz ist zerschlagen in mir.
23Ik zink weg als een verdwijnende schaduw, Word voortgejaagd als een sprinkhanenzwerm;
23Ich fahre dahin wie ein Schatten, der vertrieben wird, und werde verjagt wie die Heuschrecken.
24Van het vasten knikken mijn knieën, En mijn vermagerd lichaam schrompelt ineen.
24Meine Kniee sind schwach von Fasten, und mein Fleisch ist mager und hat kein Fett.
25Zó ben ik hun een bespotting geworden; Die mij zien, schudden meewarig het hoofd.
25Und ich muß ihr Spott sein; wenn sie mich sehen, schütteln sie ihren Kopf.
26Help mij, Jahweh, mijn God, En red mij naar uw genade;
26Stehe mir bei, HERR, mein Gott! hilf mir nach deiner Gnade,
27Opdat men erkenne, dat het uw hand is, Jahweh: dat Gij het volbracht!
27daß sie innewerden, daß dies sei deine Hand, daß du, HERR, solches tust.
28Laat hèn dan maar vloeken, als Gìj mij wilt zegenen; Mijn vijand zich schamen, maar uw knecht zich verheugen;
28Fluchen sie, so segne du. Setzen sie sich wider mich, so sollen sie zu Schanden werden; aber dein Knecht müsse sich freuen.
29Mogen mijn tegenstanders met smaad worden bekleed, En zich in hun schande hullen als in een mantel!
29Meine Widersacher müssen mit Schmach angezogen werden und mit ihrer Schande bekleidet werden wie ein Rock.
30Dan zal ik Jahweh juichend danken, En voor een talloze schare Hem prijzen;
30Ich will dem HERRN sehr danken mit meinem Munde und ihn rühmen unter vielen.
31Omdat Hij aan de rechterhand van den ongelukkige staat, Om hem te redden, van die hem verdoemen!
31Denn er steht dem Armen zur Rechten, daß er ihm helfe von denen, die sein Leben verurteilen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.