Psalmen 80
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Voor muziekbegeleiding; op de wijze: “Leliën der Wet.” Een psalm van Asaf. Herder van Israël, ach, wil toch horen: Gij, die Josef leidt als een kudde; Die troont op de Cherubs, laat stralen uw licht
1Ein Psalm und Zeugnis Asaphs, von den Rosen, vorzusingen. Du Hirte Israels, höre, der du Joseph hütest wie Schafe; erscheine, der du sitzest über dem Cherubim!
2Over Efraïm, Benjamin en Manasse; Doe uw kracht weer ontwaken, En kom ons te hulp!
2Erwecke deine Gewalt, der du vor Ephraim, Benjamin und Manasse bist, und komm uns zu Hilfe!
3O God, richt ons weer op; Laat uw aanschijn lichten, dat we worden gered!
3Gott, tröste uns und laß leuchten dein Antlitz; so genesen wir.
4God der heirscharen, Jahweh, Hoelang nog blijft Gij vergramd ondanks het gebed van uw volk!
4HERR, Gott Zebaoth, wie lange willst du zürnen bei dem Gebet deines Volkes?
5Hoelang nog laat Gij ons tranenbrood eten, En tranen drinken bij stromen;
5Du speisest sie mit Tränenbrot und tränkest sie mit großem Maß voll Tränen.
6Maakt Gij ons tot twistappel voor onze buren, En zal onze vijand de spot met ons drijven?
6Du setzest uns unsre Nachbarn zum Zank, und unsre Feinde spotten unser.
7God der heirscharen, richt ons weer op; Laat uw aanschijn lichten, dat we worden gered!
7Gott Zebaoth, tröste uns, laß leuchten dein Antlitz; so genesen wir.
8Een wijnstok hebt Gij uit Egypte overgebracht, Volkeren uitgetrokken, om hem te planten;
8Du hast einen Weinstock aus Ägypten geholt und hast vertrieben die Heiden und denselben gepflanzt.
9Gij hebt hem plaats gemaakt, zodat hij wortel kon schieten, En het hele land kon begroeien.
9Du hast vor ihm die Bahn gemacht und hast ihn lassen einwurzeln, daß er das Land erfüllt hat.
10Zijn lommer bedekte de bergen, Zijn ranken Gods ceders;
10Berge sind mit seinem Schatten bedeckt und mit seinen Reben die Zedern Gottes.
11Hij strekte zijn takken uit tot de Zee, Zijn loten naar de Rivier.
11Du hast sein Gewächs ausgebreitet bis an das Meer und seine Zweige bis an den Strom.
12Maar waarom hebt Gij dan zijn omheining vernield, Zodat iedereen, die voorbij gaat, hem leeg plukt,
12Warum hast du denn seinen Zaun zerbrochen, daß ihn zerreißt, alles, was vorübergeht?
13Het everzwijn uit het woud hem ontwortelt, Het veldgedierte hem kaal vreet?
13Es haben ihn zerwühlt die wilden Säue, und die wilden Tiere haben ihn verderbt.
14Jahweh der heirscharen, ach, keer toch terug, Blik neer uit de hemel, zie toe; Zoek deze wijnstok weer op,
14Gott Zebaoth, wende dich doch, schaue vom Himmel und sieh an und suche heim diesen Weinstock
15De stek, die uw rechterhand heeft geplant!
15und halt ihn im Bau, den deine Rechte gepflanzt hat und den du dir fest erwählt hast.
16Laat, die hem als vuilnis verbranden, Vergaan voor uw dreigende blik!
16Siehe drein und schilt, daß des Brennens und Reißens ein Ende werde.
17Maar laat uw hand op de man blijven rusten, Uw rechter op het mensenkind, dat Gij groot hebt gebracht;
17Deine Hand schütze das Volk deiner Rechten und die Leute, die du dir fest erwählt hast;
18Laat ons toch nimmermeer van U wijken, Maar doe ons weer leven, en wij eren uw Naam!
18so wollen wir nicht von dir weichen. Laß uns leben, so wollen wir deinen Namen anrufen.
19God der heirscharen, Jahweh, richt ons weer op; Laat uw aanschijn lichten, dat we worden gered!
19HERR, Gott Zebaoth, tröste uns, laß dein Antlitz leuchten; so genesen wir.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.