Psalmen 107
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Brengt Jahweh dank, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
1Danket dem HERRN; denn er ist freundlich, und seine Güte währet ewiglich.
2Zo moeten getuigen, die door Jahweh verlost zijn, En door Hem uit de nood zijn gered;
2So sollen sagen, die erlöst sind durch den HERRN, die er aus der Not erlöst hat
3Die Hij van alle kant hierheen heeft gebracht, Van oost en west, van noord en zuid.
3und die er aus den Ländern zusammengebracht hat vom Aufgang, vom Niedergang, von Mitternacht und vom Meer.
4Sommigen doolden in woestijn en wildernis rond, Zonder de weg naar hun woonplaats te vinden;
4Die irregingen in der Wüste, in ungebahntem Wege, und fanden keine Stadt, da sie wohnen konnten,
5Ze leden honger en dorst, En hun leven verkwijnde.
5hungrig und durstig, und ihre Seele verschmachtete;
6Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
6die zum HERRN riefen in ihrer Not, und er errettete sie aus ihren Ängsten
7Hij bracht ze weer op de veilige weg, Zodat ze hun woonplaats bereikten.
7und führte sie einen richtigen Weg, daß sie gingen zur Stadt, da sie wohnen konnten:
8Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
8die sollen dem HERRN danken für seine Güte und für seine Wunder, die er an den Menschenkindern tut,
9Want den dorstige heeft Hij gelaafd, Den hongerige heeft Hij verzadigd!
9daß er sättigt die durstige Seele und füllt die hungrige Seele mit Gutem.
10Anderen zaten in duister en donker, In ellende en boeien gekluisterd;
10Die da sitzen mußten in Finsternis und Dunkel, gefangen in Zwang und Eisen,
11Want ze hadden zich tegen Gods geboden verzet, En de vermaning van den Allerhoogste veracht;
11darum daß sie Gottes Geboten ungehorsam gewesen waren und das Gesetz des Höchsten geschändet hatten,
12Zo was door rampspoed de moed hun ontzonken, En reddeloos stortten ze neer.
12dafür ihr Herz mit Unglück geplagt werden mußte, daß sie dalagen und ihnen niemand half;
13Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
13die zum HERRN riefen in ihrer Not, und er half ihnen aus ihren Ängsten
14Hij haalde ze uit het duister en donker, En verbrak hun boeien.
14und führte sie aus der Finsternis und Dunkel und zerriß ihre Bande:
15Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
15die sollen dem HERRN danken für seine Güte und für seine Wunder, die an den Menschenkindern tut,
16Want metalen poorten heeft Hij verbrijzeld, Ijzeren grendels in stukken geslagen!
16daß er zerbricht eherne Türen und zerschlägt eiserne Riegel.
17Anderen werden ziek door hun zondige wandel, Hadden smarten te lijden om hun schuld;
17Die Narren, so geplagt waren um ihrer Übertretung willen und um ihrer Sünden willen,
18Alle voedsel begon hun te walgen, En ze stonden al dicht bij de poorten des doods.
18daß ihnen ekelte vor aller Speise und sie todkrank wurden;
19Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten.
19die riefen zum HERRN in ihrer Not, und er half ihnen aus ihren Ängsten,
20Hij sprak: en ze werden genezen, En Hij ontrukte hen weer aan het graf.
20er sandte sein Wort und machte sie gesund und errettete sie, daß sie nicht starben:
21Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
21die sollen dem HERRN danken für seine Güte und für seine Wunder, die er an den Menschenkindern tut,
22Laat ze dankoffers brengen, En jubelend zijn werken vermelden!
22und Dank opfern und erzählen seine Werke mit Freuden.
23Anderen staken op schepen in zee, Om handel te drijven op de onmetelijke wateren.
23Die mit Schiffen auf dem Meer fuhren und trieben ihren Handel in großen Wassern;
24Ook zij hebben Jahweh’s werken aanschouwd, In de kolken zijn wonderen.
24die des HERRN Werke erfahren haben und seine Wunder im Meer,
25Hij sprak: en er stak een stormwind op, Die zwiepte de golven omhoog;
25wenn er sprach und einen Sturmwind erregte, der die Wellen erhob,
26Ze vlogen op naar de hemel, ploften neer in de diepten, En vergingen van angst;
26und sie gen Himmel fuhren und in den Abgrund fuhren, daß ihre Seele vor Angst verzagte,
27Ze rolden en tuimelden, als waren ze dronken, En al hun zeemanschap was tevergeefs.
27daß sie taumelten und wankten wie ein Trunkener und wußten keinen Rat mehr;
28Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
28die zum HERRN schrieen in ihrer Not, und er führte sie aus ihren Ängsten
29Hij bedaarde de storm tot een bries, En de golven legden zich neer;
29und stillte das Ungewitter, daß die Wellen sich legten
30Wat waren ze blij, toen het kalm was geworden, En Hij hen naar de verbeide haven geleidde!
30und sie froh wurden, daß es still geworden war und er sie zu Lande brachte nach ihrem Wunsch:
31Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
31die sollen dem HERRN danken für seine Güte und für seine Wunder, die er an den Menschenkindern tut,
32Hem in de volksgemeente roemen, Hem in de raad der oudsten prijzen!
32und ihn bei der Gemeinde preisen und bei den Alten rühmen.
33Rivieren maakt Hij tot steppe, Waterbronnen tot dorstige grond;
33Er machte Bäche trocken und ließ Wasserquellen versiegen,
34Vruchtbaar land tot zilte bodem, Om de boosheid van zijn bewoners.
34daß ein fruchtbar Land zur Salzwüste wurde um der Bosheit willen derer, die darin wohnten.
35Maar van de steppe maakt Hij een vijver, Waterbronnen van het dorre land;
35Er machte das Trockene wiederum wasserreich und im dürren Lande Wasserquellen
36Daar zet Hij de hongerigen neer, Om er zich een woonplaats te stichten.
36und hat die Hungrigen dahingesetzt, daß sie eine Stadt zurichten, da sie wohnen konnten,
37Ze bezaaien hun akkers, beplanten hun gaarden, En oogsten hun vruchten.
37und Äcker besäen und Weinberge pflanzen möchten und die jährlichen Früchte gewönnen.
38Hij zegent hen: ze worden zeer talrijk, En Hij vermeerdert hun vee.
38Und er segnete sie, daß sie sich sehr mehrten, und gab ihnen viel Vieh.
39En nemen ze af in getal, en gaan ze ten onder Door verdrukking, ellende en jammer:
39Sie waren niedergedrückt und geschwächt von dem Bösen, das sie gezwungen und gedrungen hatte.
40Dan geeft Hij de tyrannen prijs aan de schande, En laat ze door de wildernis dolen.
40Er schüttete Verachtung auf die Fürsten und ließ sie irren in der Wüste, da kein Weg ist,
41Maar den arme heft Hij uit de ellende weer op, En maakt zijn geslacht weer talrijk als kudden:
41und schützte den Armen vor Elend und mehrte sein Geschlecht wie eine Herde.
42De vromen zien het, en juichen; Maar wat boos is, zwijgt stil.
42Solches werden die Frommen sehen und sich freuen; und aller Bosheit wird das Maul gestopft werden.
43Wie wijs is, neemt het ter harte, En beseft de goedheid van Jahweh!
43Wer ist weise und behält dies? So werden sie merken, wie viel Wohltaten der HERR erzeigt.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.