Psalmen 107
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Brengt Jahweh dank, want Hij is goed, En zijn genade duurt eeuwig!
1Oslavujte Hospodina, nebo jest dobrý, nebo na věky milosrdenství jeho.
2Zo moeten getuigen, die door Jahweh verlost zijn, En door Hem uit de nood zijn gered;
2Nechť o tom vypravují ti, kteříž jsou vykoupeni skrze Hospodina, jak je on vykoupil z ruky těch, kteříž je ssužovali,
3Die Hij van alle kant hierheen heeft gebracht, Van oost en west, van noord en zuid.
3A shromáždil je z zemí, od východu a od západu, od půlnoci i od moře.
4Sommigen doolden in woestijn en wildernis rond, Zonder de weg naar hun woonplaats te vinden;
4Bloudili po poušti, po cestách pustých, města k přebývání nenacházejíce.
5Ze leden honger en dorst, En hun leven verkwijnde.
5Hladovití a žízniví byli, až v nich svadla duše jejich.
6Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
6Když volali k Hospodinu v ssoužení svém, z úzkostí jejich vytrhl je,
7Hij bracht ze weer op de veilige weg, Zodat ze hun woonplaats bereikten.
7A vedl je po cestě přímé, aby přišli do města k bydlení.
8Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
8Nechať oslavují před Hospodinem milosrdenství jeho, a divné skutky jeho před syny lidskými,
9Want den dorstige heeft Hij gelaafd, Den hongerige heeft Hij verzadigd!
9Poněvadž napájí duši žíznivou, a duši hladovitou naplňuje dobrými věcmi.
10Anderen zaten in duister en donker, In ellende en boeien gekluisterd;
10Kteříž sedí ve tmě a v stínu smrti, sevříni jsouce bídou i železy,
11Want ze hadden zich tegen Gods geboden verzet, En de vermaning van den Allerhoogste veracht;
11Protože odporni byli řečem Boha silného, a radou Nejvyššího pohrdli.
12Zo was door rampspoed de moed hun ontzonken, En reddeloos stortten ze neer.
12Pročež ponížil bídou srdce jejich, padli, a nebylo pomocníka.
13Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
13Když volají k Hospodinu v ssoužení svém, z úzkostí je vysvobozuje.
14Hij haalde ze uit het duister en donker, En verbrak hun boeien.
14Vyvodí je z temností a stínu smrti, a svazky jejich trhá.
15Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
15Nechať oslavují před Hospodinem milosrdenství jeho, a divné skutky jeho před syny lidskými,
16Want metalen poorten heeft Hij verbrijzeld, Ijzeren grendels in stukken geslagen!
16Poněvadž láme brány měděné, a závory železné posekává.
17Anderen werden ziek door hun zondige wandel, Hadden smarten te lijden om hun schuld;
17Blázni pro cestu převrácenosti své, a pro nepravosti své v trápení bývají.
18Alle voedsel begon hun te walgen, En ze stonden al dicht bij de poorten des doods.
18Oškliví se jim všeliký pokrm, až se i k branám smrti přibližují.
19Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten.
19Když volají k Hospodinu v ssoužení svém, z úzkostí jejich je vysvobozuje.
20Hij sprak: en ze werden genezen, En Hij ontrukte hen weer aan het graf.
20Posílá slovo své, a uzdravuje je, a vysvobozuje je z hrobu.
21Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
21Nechať oslavují před Hospodinem milosrdenství jeho, a divné skutky jeho před syny lidskými,
22Laat ze dankoffers brengen, En jubelend zijn werken vermelden!
22A obětujíce oběti chvály, ať vypravují skutky jeho s prozpěvováním.
23Anderen staken op schepen in zee, Om handel te drijven op de onmetelijke wateren.
23Kteří se plaví po moři na lodech, pracujíce na velikých vodách,
24Ook zij hebben Jahweh’s werken aanschouwd, In de kolken zijn wonderen.
24Tiť vídají skutky Hospodinovy, a divy jeho v hlubokosti.
25Hij sprak: en er stak een stormwind op, Die zwiepte de golven omhoog;
25Jakž jen dí, hned se strhne vítr bouřlivý, a dme vlny mořské.
26Ze vlogen op naar de hemel, ploften neer in de diepten, En vergingen van angst;
26Vznášejí se k nebi, sstupují do propasti, duše jejich v nebezpečenství rozplývá se.
27Ze rolden en tuimelden, als waren ze dronken, En al hun zeemanschap was tevergeefs.
27Motají se a nakloňují jako opilý, a všecko umění jejich mizí.
28Maar ze riepen Jahweh aan in hun nood, En Hij verloste hen van hun angsten:
28Když volají k Hospodinu v ssoužení svém, z úzkostí jejich je vysvobozuje.
29Hij bedaarde de storm tot een bries, En de golven legden zich neer;
29Proměňuje bouři v utišení, tak že umlkne vlnobití jejich.
30Wat waren ze blij, toen het kalm was geworden, En Hij hen naar de verbeide haven geleidde!
30I veselí se, že utichlo; a tak přivodí je k břehu žádostivému.
31Laat ze Jahweh voor zijn goedheid dan danken, En voor zijn wonderen voor de kinderen der mensen:
31Nechať oslavují před Hospodinem milosrdenství jeho, a divné skutky jeho před syny lidskými.
32Hem in de volksgemeente roemen, Hem in de raad der oudsten prijzen!
32Nechť ho vyvyšují v shromáždění lidu, a v radě starců chválí jej.
33Rivieren maakt Hij tot steppe, Waterbronnen tot dorstige grond;
33Obrací řeky v poušť, a prameny vod v suchost,
34Vruchtbaar land tot zilte bodem, Om de boosheid van zijn bewoners.
34Zemi úrodnou v slatinnou, pro zlost obyvatelů jejích.
35Maar van de steppe maakt Hij een vijver, Waterbronnen van het dorre land;
35Pustiny obrací v jezera, a zemi vyprahlou v prameny vod.
36Daar zet Hij de hongerigen neer, Om er zich een woonplaats te stichten.
36I osazuje na ní hladovité, aby stavěli města k bydlení.
37Ze bezaaien hun akkers, beplanten hun gaarden, En oogsten hun vruchten.
37Kteříž osívají pole, a dělají vinice, a shromažďují sobě užitek úrody.
38Hij zegent hen: ze worden zeer talrijk, En Hij vermeerdert hun vee.
38Takť on jim žehná, že se rozmnožují velmi, a dobytka jejich neumenšuje.
39En nemen ze af in getal, en gaan ze ten onder Door verdrukking, ellende en jammer:
39A někdy pak umenšeni a sníženi bývají ukrutenstvím, bídou a truchlostí,
40Dan geeft Hij de tyrannen prijs aan de schande, En laat ze door de wildernis dolen.
40Když vylévá pohrdání na knížata, dopouštěje, aby bloudili po poušti bezcestné.
41Maar den arme heft Hij uit de ellende weer op, En maakt zijn geslacht weer talrijk als kudden:
41Onť vyzdvihuje nuzného z trápení, a rozmnožuje rodinu jako stádo.
42De vromen zien het, en juichen; Maar wat boos is, zwijgt stil.
42Nechť to spatřují upřímí, a rozveselí se, ale všeliká nepravost ať zacpá ústa svá.
43Wie wijs is, neemt het ter harte, En beseft de goedheid van Jahweh!
43Ale kdo jest tak moudrý, aby toho šetřil, a vyrozumíval mnohému milosrdenství Hospodinovu?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.